Paul Klee, Twittering Machine (1922), Museum of Modern Art, New York
“Als denken de taal corrumpeert, kan taal ook zeker het denken corrumperen”
George Orwell.
Woord vooraf
Dit is het tweede deel van het tweeluik over hoe taal wordt ingezet om denkprocessen te sturen. Het eerste deel leest u hier.
Hoewel dit artikel raakvlakken heeft met de Domme Hoogopgeleiden-serie, maakt het er geen onderdeel van uit. Het is een vertaling van de Engelse Indoctrination Series, waarvan inmiddels meerdere delen zijn verschenen. Wie verder wil lezen, op mijn Engelstalige Substack staan alle artikelen.
In dit artikel introduceer ik een stappenplan dat laat zien hoe morele taal zich een weg baant naar het centrum van de macht. De formule is niet universeel. Verschillende termen kunnen andere routes bewandelen. Maar de logica erachter is structureel en consistent en daar wil ik het vandaag met u over hebben.
Van betekenis naar controle
In het vorige artikel beschreef ik hoe woorden worden ontdaan van hun oorspronkelijke betekenis, moreel worden geladen en omgevormd naar een wapen van psychologische en sociale controle. Een aantal lezers had hierbij opgemerkt dat mijn voorbeelden hoofdzakelijk progressief van aard waren. Dat heeft meer te maken met structuur dan met ideologie. Taalbewapening komt aan beide kanten van het politieke spectrum voor, maar er is één kant die de afgelopen decennia hoofdzakelijk aan de knoppen heeft gezeten. Vandaag de dag zijn al onze instituties sterk progressief. De morele taal die dat met zich meebracht is vastgelegd in wetgeving, verankerd in beleid, geïntegreerd in het onderwijs en via compliance-eisen afgedwongen in het bedrijfsleven. Conservatieve morele taal blijft daarentegen grotendeels retorisch. Ze wint wellicht een verkiezing, maar krijgt bestuurlijk geen voet aan de grond. Alleen institutionele macht kan bepalen welke woorden worden omgezet in beleid en het is precies dat potentieel dat van woorden wapens maakt.
Dit deel gaat over wat er gebeurt wanneer die morele taal wordt overgenomen door de instituties die ons land besturen. Ik volg het pad dat van activisten en academici via beleid en regelgeving naar het dagelijks leven loopt. Ergens onderweg wordt morele taal verplicht: een woord wordt een doctrine, een doctrine wordt een regel en de regel bepaalt vervolgens wat er nog gedacht en gezegd mag worden.
De ironie is dat zodra de betekenis van bepaalde sleutelbegrippen is herschreven, de noodzaak voor wettelijke censuur wegvalt. De werkelijkheid wordt opgelegd en mensen gaan elkaar via woorden reguleren, waarbij algoritmes en andere sociale controlemechanismes worden ingezet om conformiteit af te dwingen. Cancelling en zelfcensuur zijn geen randverschijnselen meer maar de stille handhaving van een samenleving die zichzelf onder toezicht heeft gesteld.
Als dit proces al gaande is, is de vraag niet langer óf taal de realiteit schept, maar hoeveel van onze werkelijkheid al is herschreven zonder dat wij het hebben gemerkt.
Hoe morele taal de macht verovert
In tegenstelling tot de ‘Newspeak’ in George Orwells 1984, begint taalcontrole niet in het Torentje achter gesloten deuren. Tegen de tijd dat een begrip opduikt in wetgeving of beleid heeft het vaak al jaren gecirculeerd in activistische netwerken en academische kringen waar het geduldig ‘bewijs’ heeft verzameld.
Wat wij meemaken werkt precies omgekeerd: morele taal komt van onderaf. En dat maakt het ook zo effectief. Tegen de tijd dat het grote publiek voor het eerst kennismaakt met geherdefinieerde begrippen, zijn ze al verankerd in de wet en wordt er al over lesgegeven aan onze kinderen. Op dat moment bezwaar maken heeft dan nog weinig zin; de ideologische positie is tegen die tijd al een bestuurlijke waarheid geworden en elke aantasting daarvan een aanval op de democratie.
Het proces is niet transparant en verhardt naarmate het dichter bij de macht komt. Dus laten we eens kijken hoe een enkel woord vanuit de marge ons dagelijks leven kan gaan overheersen.
Stap 0 – De oorspronkelijke betekenis
Geherdefinieerde termen zoals antiracisme en genderidentiteit beginnen niet als beleidsinstrumenten. Ze ontstaan als concrete beschrijvingen van concrete verschijnselen, zonder waardeoordeel.
Antiracisme kwam in de jaren vijftig op als een oproep tot kleurenblinde wetgeving en gelijke behandeling voor de wet, op een moment dat zwarte Amerikanen dagelijks werden gediscrimineerd. Het principe was neutraal: discriminatie is verkeerd, in welke richting ook.
Genderidentiteit is een klinische term die begin jaren zestig werd geïntroduceerd door de UCLA-psychiater Robert Stoller. Hij beschreef ermee in hoeverre het gevoel van zijn patiënten overeenkwam met hun biologische geslacht. Het was een klinisch beschrijvende term, expliciet gekoppeld aan de geslachten man en vrouw en werd gebruikt in de diagnose van intersekse en transseksuele patiënten.
Beide termen waren decennialang duidelijk en onomstreden. Tot ze begonnen te verschuiven.
Stap 1 – Herdefiniëring en academische legitimering
Herdefiniëring begint als in activistische of academische kringen een bestaande term een nieuwe, moreel geladen definitie krijgt. De formulering veronderstelt in zichzelf dat er een fundamenteel onrechtvaardig probleem bestaat en dat de nieuwe definitie de enige, eerlijke manier is om de werkelijkheid te beschrijven. De nieuwe term lijkt beladen met compassie en zelfrechtvaardiging, want wie is er nou vóór racisme of onverdraagzaamheid? Maar in werkelijkheid wordt door de morele lading toe te voegen kritiek bij voorbaat onmogelijk gemaakt.
Antiracisme onderging zijn eerste herdefinitie via de Critical Race Theory, die op Amerikaanse rechtenfaculteiten werd ontwikkeld. Racisme had niet langer betrekking op individuele handelingen, maar was systemisch en ingebed in institutionele en maatschappelijke ongelijkheid. Rond 2018 herdefinieerden de Amerikaanse auteurs Kendi en DiAngelo het begrip verder: racisme is een systeem van wit privilege dat witte mensen per definitie bevoordeelt. Antiracisme is dan de actieve bestrijding van racistisch beleid en ideeën. Daarmee kwam een einde aan de neutrale definitie dat racisme en discriminatie twee kanten op kunnen werken.
Voor genderidentiteit was het de Amerikaanse filosoof Judith Butler die in 1990 met haar boek Gender Trouble betoogde dat niet alleen gender maar ook het biologisch geslacht zelf een cultureel construct is. Het concept dat genderidentiteit gekoppeld is aan het biologisch geslacht werd daarmee losgelaten.
Zodra een geherdefinieerde term de academische wereld betreedt, wordt de nieuwe definitie niet meer bevraagd maar als uitgangspunt genomen. Een wetenschapper die antiracisme onderzoekt, hanteert de aanname dat zwarte mensen structureel worden gediscrimineerd. In studies naar genderidentiteit worden de effecten en sociale gevolgen onderzocht, maar staat de loskoppeling van het biologisch geslacht zelf niet ter discussie.
Elke publicatie die daarop voortbouwt versterkt de volgende. Wetenschappers verwijzen graag naar elkaar om de bewijskracht van hun eigen onderzoek te vergroten. Hierdoor ontstaat een woud aan referenties dat de schijn wekt van breed gedragen empirisch bewijs. Wie van buitenaf naar die studies kijkt, ziet een indrukwekkende stapel onderbouwing. Echter, wie iets verder kijkt, ziet vooral dat dezelfde onderzoeken met dezelfde data en dezelfde aannames in andere bewoordingen worden herhaald. Die herhaling wordt consensus genoemd en die consensus vormt vervolgens het bewijs.
Een derde mechanisme maakt de cirkel rond. Ook de wetenschap wordt gestuurd door geld en de commissies die het geld toekennen zijn vaak zelf onderdeel van de heersende consensus. Dit heeft tot gevolg dat onderzoeken waarin de geherdefinieerde termen van antiracisme en genderidentiteit zitten verwerkt hun aanvraag veel sneller goedgekeurd zullen krijgen dan onderzoeken die deze terminologie kritisch bevragen. Deze onbalans in financiering, versterkt door herhaling en consensus, vormt de basis van de overtuiging dat de geherdefinieerde termen neutraal, objectief en wetenschappelijk onderbouwd zijn.
En als de wetenschap het volledig met zichzelf eens is, is de geherdefinieerde term klaar om door politici te worden omarmd.
Stap 2 – Van wetenschap naar Europees beleid
Wanneer een term eenmaal academisch is gelegitimeerd, hoeft de politiek hem niet meer te rechtvaardigen. Hij komt binnen met het gezag van de wetenschap al achter zich. Beleidsmakers nemen de terminologie over zonder de onderliggende aannames te toetsen. De experts zijn het immers eens en wie dan nog bezwaar maakt, stelt zich op tegen de wetenschap.
In 2020 lanceerde de Europese Commissie (EC) het EU Anti-Racism Action Plan en de LGBTIQ-gelijkheidsstrategie. In beide documenten worden de geherdefinieerde termen als vaststaand feit behandeld en als uitgangspunt voor beleid genomen.
Het Anti-Racism Action Plan erkent expliciet het bestaan van structureel racisme als discriminerend gedrag dat is ingebed in sociale, financiële en politieke instituties. Opvallend is de intersectionele benadering waarin racisme wordt gekoppeld aan andere discriminatievormen zoals gender, seksuele oriëntatie en lichamelijke beperkingen. De EC stelde in 2021 een Coördinator Antiracisme aan om op Europees niveau antiracismebeleid te versterken. Daarnaast spoort de EC met financieringsprogramma’s zoals CERV en structuurfondsen lidstaten aan om op nationaal niveau actieplannen tegen racisme te ontwikkelen.
Ook voor genderidentiteit neemt de EC de geherdefinieerde term over zonder de onderliggende aannames te toetsen. De innerlijk beleefde identiteit is voortaan een beschermingsgrond op de arbeidsmarkt en een inclusienorm in het onderwijs. Daarnaast wil de EC dat lidstaten beleid opstellen dat juridische geslachtswijziging zonder medisch oordeel mogelijk maakt. Financieringsprogramma’s zoals CERV en Erasmus+ moeten vervolgens zorgdragen dat lidstaten dit beleid ook daadwerkelijk implementeren.
Aan het eind van deze stap zijn de nieuwe termen Europees verankerd. De volgende logische stap is navolging van de lidstaten.
Stap 3 – Van Europees beleid naar nationale wetgeving
Zodra de nieuwe terminologie in Europese richtlijnen is verankerd, vertalen nationale wetgevers die vroeg of laat naar bindend recht. In dit stadium zijn de geherdefinieerde termen niet langer vrijblijvend, maar beginnen zij juridische consequenties te krijgen.
Nederland kent al decennialang wetgeving tegen groepsbelediging en haatzaaien, waar ras expliciet onder valt (artikelen 137c en 137d Sr). Die grondslagen zijn sindsdien niet uitgebreid en ook is geen aparte antiracismewetgeving ingevoerd. De uitwerking van het EU Anti-Racism Action Plan is in Nederland dan ook vooral beleidsmatig.
Voor genderidentiteit ligt dat anders. In 2019 werd in de Algemene wet gelijke behandeling expliciet vastgelegd dat discriminatie op grond van geslacht ook discriminatie op grond van genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken omvat. Daarnaast ligt een wetsvoorstel klaar om de deskundigenverklaring bij verzoeken om juridische geslachtswijziging te schrappen. Iemand die van geslacht wil wisselen, zou dat dan geheel op eigen verklaring kunnen doen, zonder dat een deskundige nog meekijkt of de wens duurzaam is of is ingegeven door andere factoren.
Nu de nieuwe terminologie in de wet is vastgelegd, is het de beurt aan de uitvoeringsinstanties om te bepalen wat het betekent.
Stap 4 – Van wet naar uitvoering
Zodra de nieuwe terminologie in de wet is verankerd, vertalen uitvoeringsinstanties haar naar procedures, rapportagestructuren en administratieve standaarden. In dit stadium wordt de nieuwe terminologie de geschreven regel en is afwijken er niet meer bij.
In 2021 heeft de rijksoverheid op aandringen van de Tweede Kamer de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) aangesteld. Tot en met 2025 stelde de NCDR jaarlijks een Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme op. Sinds 2026 is die coördinerende rol komen te vervallen en richt de NCDR zich op advies en gerichte interventies. Het speerpunt voor 2026 is de bestrijding van anti-Zwart racisme, waarvoor een Nationaal Actieplan in ontwikkeling is.
Voor genderidentiteit verloopt de institutionalisering via de cultuursector en het onderwijs. Eerder al hadden de brancheverenigingen in de cultuursector de Code Culturele Diversiteit gepubliceerd met als doel de representatie in de cultuursector etnisch diverser te maken. In 2019 is deze code herschreven en verbreed naar de Code Diversiteit & Inclusie. Het doel van deze code is om de cultuursector toegankelijk te maken voor alle vormen van diversiteit, van etnische verschillen tot genderidentiteit, religie en seksuele oriëntatie. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), financierde niet alleen de aanpassing maar heeft van de Code een subsidievoorwaarde gemaakt: wie de Code niet onderschrijft, komt niet in aanmerking voor subsidie.
Twee jaar later verschijnt de handreiking Waarden voor een Nieuwe Taal, gefinancierd door OCW en de rijkscultuurfondsen. Hier komen antiracisme en genderidentiteit samen. Het doel van de handreiking is een gedekoloniseerde, inclusieve en toegankelijke taal voor iedereen en de premisse is expliciet:
‘De Nederlandse taal is een product van de geschiedenis, geografie en tijd. De taal toont de opvattingen van de dominante machtsgroep die, in de beschrijving van ‘de ander’, zijn eigen superioriteit en machtspositie versterkt ziet. Zo is iedereen en alles in Nederland een scheldwoord (’homo’, Turk, Jood, wijf, ‘het n-woord’), behalve de witte cisgender heteroseksuele man zonder lichamelijke, zintuigelijke, mentale en/of verstandelijke beperking.’
De handreiking stelt vijftien omgangsadviezen en taalsuggesties voor: genderidentiteit is geen gevoel of beleving maar een staat van zijn die niet ter discussie staat. Een transgenderpersoon voelt zich geen man of vrouw maar ís man of vrouw. Zeg niet ‘dames en heren’ maar ‘beste mensen’. Gebruik niet ‘hij’ of ‘zij’ maar ‘hen’ en ‘die’. En doe hetzelfde voor huidskleur, religie en seksuele oriëntatie.
Formeel geldt het taaladvies voor de cultuursector. Maar het ministerie dat de handreiking heeft gefinancierd, financiert ook het onderwijs. En zo verschijnt de nieuwe norm voor taal en identiteit vanzelf voor de klas.
Stap 5 – Overdracht via het onderwijs
Scholen vertalen het beleid van de overheid naar leerinhoud. Wat eerst als beleidstaal circuleerde, wordt nu als kennis aangeboden.
Dat begint bij de lerarenopleidingen. Pabo’s integreren diversiteit en inclusie steeds nadrukkelijker in hun curriculum. De leraar die het klaslokaal instapt, geeft vervolgens les binnen een wettelijk kader dat deze thema’s verplicht stelt. Sinds december 2012 zijn alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs verplicht aandacht te besteden aan seksuele diversiteit, waaronder genderidentiteit. Negen jaar later worden de eisen voor het burgerschapsonderwijs ook aangescherpt: scholen moeten niet langer alleen aandacht besteden aan burgerschap, maar actief kennis bevorderen over verschillen in geslacht, seksuele oriëntatie en etniciteit.
Het lesmateriaal volgt dezelfde lijn. De Stichting Leerplanontwikkeling, ook weer gefinancierd door OCW, ontwikkelt lesmateriaal over racisme, discriminatie en gender voor alle onderwijsniveaus. De nieuwe begrippen antiracisme en genderidentiteit worden daarin niet gepresenteerd als een recent geherdefinieerde visie, maar als de correcte beschrijving van de werkelijkheid.
Het is op dit punt, als de geherdefinieerde termen tot feiten zijn verheven, dat de media het gaat behandelen als het nieuwe normaal.
Stap 6 – Normalisering via de media
Door verspreiding via de media komt nu ook het grote publiek in aanraking met de geherdefinieerde termen. Journalisten nemen de nieuwe terminologie over als de standaardmanier om gebeurtenissen, groepen en conflicten te beschrijven.
Door herhaling en framing worden de geherdefinieerde termen de enige legitieme manier om over sociale en politieke kwesties te spreken. Commentatoren die de goedgekeurde terminologie gebruiken, worden gepresenteerd als gezaghebbend. Wie dat niet doet, wie kritiek uit of kanttekeningen plaatst bij de gevolgen van antiracisme- en diversiteitsbeleid, wordt gelabeld als extremist of complotdenker, gemarginaliseerd en gereduceerd tot karikatuur. Tegenspraak is niet meer mogelijk.
Door de ene kant te benadrukken en de andere te onderdrukken, weg te laten of politiek te profileren, ontstaat de indruk dat slechts één perspectief legitiem is. Wettelijke censuur is niet nodig. De media censureert zichzelf.
Op dat moment beseffen bedrijven dat zij niet langer kunnen achterblijven. Zij nemen de nieuwe termen over om hun professionele en economische risico’s te beheersen.
Stap 7 – Overname door bedrijven
Tegen de tijd dat bedrijven de nieuwe terminologie overnemen, doen ze dat niet uit ideologische motieven maar om bedrijfsrisico’s te beperken. Werkgevers passen hun beleid aan en de geherdefinieerde termen vinden hun weg naar de werkvloer.
HR-afdelingen introduceren diversiteitstrainingen, gedragscodes en meldstructuren die de categorieën van overheid en media overnemen. Formulieren die jarenlang alleen man of vrouw kenden, krijgen een derde optie: ‘anders’, ‘X’ of ‘zeg ik liever niet’. Voornaamwoordbeleid schrijft voortaan voor hoe collega’s elkaar moeten aanspreken en de werknemer leert dat zijn baanzekerheid niet alleen meer afhangt van zijn deskundigheid, maar ook van zijn taalgebruik.
Zo ontstaat een gefabriceerde consensus. Overheden, scholen, media en bedrijven gebruiken allemaal dezelfde termen en het lijkt wel alsof de hele samenleving het eens is over hun geherdefinieerde betekenis. Afwijking krijgt consequenties. Een verkeerde zin in een e-mail of op sociale media kan leiden tot een gesprek met HR en zelfs ontslag. Kritiek is niet meer te onderscheiden van wangedrag: woordkeuze alleen is voldoende reden om in te grijpen.
Het is op dit punt, wanneer institutionele, sociale en economische krachten samenvallen, dat woorden een wapen worden.
Stap 8 – Woorden als wapen
Zodra de nieuwe terminologie het publieke, zakelijke en institutionele leven beheerst, wordt zij een instrument van controle. Een verkeerde zin op sociale media kan leiden tot deplatforming en zelfs strafrechtelijk onderzoek. Een losse opmerking op het werk kan leiden tot klachten, schorsing of ontslag. Opzet en intentie zijn niet langer relevant; een verkeerd woord is voldoende om juridische consequenties uit te lokken.
Daarmee is de herdefiniëring naar morele taal voltooid. Wanneer racisme als structureel en systemisch wordt behandeld, doet individuele verantwoordelijkheid er niet meer toe en worden gelijke uitkomsten de maatstaf voor rechtvaardigheid. Selectie op grond van deskundigheid is dan discriminatie, maar banen ontzeggen op grond van de verkeerde identiteitscategorie niet. Hetzelfde geldt voor genderidentiteit. Biologische mannen toegang geven tot vrouwengevangenissen, vrouwelijke kleedkamers en vrouwensporten enkel en alleen omdat zij zich als vrouw identificeren is inclusief. Kritiek dat deze aanpak leidt tot oneerlijke en onveilige situaties voor vrouwen is vijandig en ‘transfoob’.
In deze omgeving is geen onderscheid meer tussen een andere mening hebben en wangedrag. De vrijheid van meningsuiting is wettelijk nog intact, maar brengt in de praktijk persoonlijke, professionele en juridische risico’s met zich mee. Het gevolg is dat de meeste mensen hun gedrag en taalgebruik aanpassen om consequenties te vermijden. En zo houdt het systeem zichzelf in stand met de morele taal die het heeft gecreëerd.
Hoe morele taal het westen splijt
Waar mensen alleen nog spreken in morele taal, ontstaan parallelle werkelijkheden die uiteindelijk elke samenleving ontwrichten. De wijze waarop wij hier in Nederland sinds 7 oktober 2023 niet met wapens maar met woorden het conflict tussen Israël en Gaza uitvechten, illustreert dit mechanisme. In dit conflict worden dezelfde gebeurtenissen door voor- en tegenstanders met een morele lens bekeken en krijgen daarmee een tegengestelde interpretatie. Waar de een spreekt van zelfverdediging, spreekt de ander van genocide. Waar de een terroristen ziet, ziet de ander vrijheidsstrijders. De feiten zijn secundair geworden aan het morele kader waarmee ze worden gewogen.
In het pro-Israëlische frame is Israël de enige democratie in het Midden-Oosten, een voorpost van de westerse beschaving tegen islamitische barbarij. Elke militaire actie is zelfverdediging, elke kritiek op Israël is antisemitisme, Jodenhaat of Hamas-sympathie. Geert Wilders is een uitgesproken vertegenwoordiger van dit frame. Voor hem is de strijd van Israël identiek aan zijn eigen strijd tegen de islam. Netanyahu noemt hij zijn grote vriend en wat wij volgens hem vandaag nodig hebben is zionisme voor de Europese natiestaten. Dat Gaza sinds 7 oktober 2023 grotendeels is verwoest en sindsdien ongeveer 71.000 Gazanen zijn omgekomen, waarvan de helft vrouwen, kinderen en ouderen, zijn feiten die binnen dit frame worden omgebogen tot de onvermijdelijke gevolgen van een existentiële strijd tegen het kwaad. De verhoudingen doen er niet toe. De vijand is slecht, dus alles is gerechtvaardigd.
In het pro-Palestijnse frame is Israël een koloniale apartheidsstaat die genocide pleegt. Elke Palestijnse actie is verzet tegen onderdrukking, elke kritiek op dat verzet is medeplichtigheid aan bezetting. Anja Meulenbelt, voormalig Eerste Kamerlid en auteur, is een uitgesproken vertegenwoordiger van dit frame. Zij noemt Israël consequent een apartheidsstaat en sprak vóór 7 oktober 2023 ook al van genocide. Hamas beschrijft zij niet als terreurorganisatie maar als een grassroots beweging, voortgekomen uit het volk zelf. Dat de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 gericht was tegen burgers, dat huizen met mensen erin in brand werden gestoken, dat vrouwen werden verkracht en kinderen vermoord, dat ongeveer 250 mensen werden ontvoerd en vele maanden onder vreselijke omstandigheden werden gegijzeld, zijn feiten die binnen dit frame worden omgebogen tot de onvermijdelijke gevolgen van decennialang onrecht. De wijze van verzet doet er niet toe. De vijand is slecht, dus alles is gerechtvaardigd.
Beide frames zijn elkaars spiegelbeeld, maar maken gebruik van hetzelfde mechanisme: de worst-motive fallacy (zie ook deel 1). De ander is per definitie slecht, dus alles wat mijn kant doet is daarom gerechtvaardigd. Maar alles wat de ander doet, bevestigt zijn slechtheid en is niet gerechtvaardigd. Feiten worden selectief toegepast en wat niet past wordt genegeerd of geherdefinieerd. Zo vernauwt de discussie tot goed tegen fout, gelijk tegen ongelijk en uiteindelijk onrecht tegen onrecht. Een gedeelde werkelijkheid van waaruit een gesprek kan beginnen bestaat niet meer. Je bent óf antisemiet óf genocide-apologeet. Een derde optie is er niet.
Dit mechanisme is bijzonder destructief voor een land dat is gebouwd op overleg en een gedeeld feitenkader. Morele taal ondermijnt dat fundament. Zij leidt tot groepsdenken waarin elke groep de waarheid in pacht heeft, of in ieder geval het morele gelijk. Maar democratie is juist gestoeld op de bereidheid om tot een gedeelde oplossing te komen. Dat kan alleen als je elkaars feiten erkent en elkaars motieven niet bij voorbaat tot kwaadaardig reduceert. Morele taal sluit dat uit. Zij maakt van elke tegenstander een vijand en van elk meningsverschil een strijd tussen goed en kwaad. Met als gevolg dat je altijd moet kiezen: je bent voor of tegen, goed of fout. Compromis is verraad, nuance medeplichtigheid. Waar dat de norm wordt, houdt politiek op en begint oorlog; óók als die alleen met woorden wordt gevoerd.
Een samenleving zonder gedeelde realiteit kan zichzelf niet besturen. Morele strijd vervangt diplomatie en elke oplossing wordt met wantrouwen bekeken. Op die manier kan niets meer worden opgelost, hooguit tijdelijk geparkeerd.
Mijn substack is gratis en dat blijft zo. Maar feiten boven tafel krijgen kost tijd. Vindt u dit werk waardevol, overweeg dan een vrijwillige bijdrage. Dat kan ook via Ideal.
Als u wilt weten wat er gebeurt als gelijke uitkomsten, genderidentiteit en antiracisme tot staatsideologie worden verheven, kunt u alvast Curlingkinderen lezen. Nu nog dystopische fictie!






Dank je wel voor het zo uitgebreid en doordacht aandacht besteden aan dit essentiele onderwerp. Manipulatie van taal is een extreme en levensgevaarlijke basisvorm van manipulatie met taal.
Wat een ijzersterke en angstaanjagend herkenbare dissectie van de institutionele mars door de taal, Jeanette. Je laat feilloos zien hoe 'compassie' en 'zorg' de perfecte dekmantels zijn om de werkelijkheid administratief te gijzelen. Zodra we 'Waarden voor een Nieuwe Taal' verheffen tot subsidievoorwaarde en wet, is de stap naar een totale 'zachte dystopie' angstaanjagend klein. Je stappenplan leest bijna als de ontstaansgeschiedenis van een sector als 23C32, waar taal alleen nog 'bruikbaar' mag zijn, herinneringen preventief worden gewist onder de noemer van 'ontlasting', en de menselijke autonomie definitief is gladgestreken. Jouw non-fictie analyse en de premisse van Curlingkinderen leggen de vinger precies op de zere plek. Dank voor deze heldere waarschuwing.