Albert Hahn, Het zwaard van Damocles, 12 december 1914. Collection International Institute of Social History in Amsterdam. https://hdl.handle.net/10622/N30051000846573
Nederland wordt steeds dommer
Dertig jaar geleden waren we nog een land dat dingen maakte. Nu zijn we een land dat alleen nog maar reguleert en papier produceert. De gevolgen zijn dramatisch. De kosten voor levensonderhoud zijn gigantisch gestegen, wonen is onbetaalbaar geworden, geen enkele overheidsinstelling functioneert nog en we vliegen van crisis naar crisis. Op papier zijn we rijker dan ooit. In werkelijkheid is er overal geldtekort en wordt er continu bezuinigd, gesaneerd, opgeheven en ingetrokken. Op papier zijn er duizenden regeltjes bedacht die Nederland zogenaamd 'robuuster en toekomstbestendig' hadden moeten maken. In werkelijkheid staan we al jaren aan de rand van de afgrond en offeren we al onze welvaart op om er maar niet in te vallen.
Als we kijken naar de mensen die de afgelopen dertig jaar aan het roer hebben gestaan, dan hebben we het vrijwel zonder uitzondering over hoogopgeleide functionarissen. We hebben het over mensen die jaren hebben gestudeerd, diploma's hebben behaald en titels voeren, maar die tegelijkertijd fundamenteel onnadenkende beslissingen hebben genomen. Keer op keer, jaar na jaar, totdat we in de huidige situatie zijn beland waarin geen enkel maatschappelijk probleem meer opgelost lijkt te kunnen worden.
Want je hoeft niet heel intelligent te zijn om te begrijpen dat de landsgrenzen wijd openhouden terwijl je tegelijkertijd woningbouw verhindert een enorme wooncrisis oplevert. Dat € 28 miljard besteden voor 0,000036 graden minder opwarming je land wel verarmt, maar het klimaat niet helpt. Dat het niet handig is om de gaskraan dicht te draaien op je eigen gasbubbel wanneer je grootste gasleverancier een oorlog start. En dat je never nooit je eigen voedselveiligheid sloopt voor modelberekeningen die je eigen buurlanden negeren.
Simpele, weldenkende mensen zouden deze beslissingen nooit nemen. Toch doet onze politieke, juridische en financiële elite niets anders. Hoe kan de cognitieve dissonantie zo groot zijn geworden dat hoogopgeleiden keuzes maken waarvan zelfs een kind begrijpt dat ze dom zijn?
Dat gaan we in een serie van vijf artikelen onderzoeken!
Wanneer precies ging het mis? Hoe kon het onderwijs massaal mensen produceren die rijtjes uit hun hoofd kunnen leren maar niet meer zelf kunnen nadenken? En waarom maken mensen de domste beslissingen juist wanneer ze geen last hebben van de gevolgen? Wat zijn de mechanismen die ervoor hebben gezorgd dat morele superioriteit belangrijker is geworden dan praktische resultaten? En waarom beloont het systeem domme beslissers terwijl het slimme, zelfstandig nadenkende mensen wegdrukt? We sluiten af met wat er straks gaat gebeuren als de rekening wordt gepresenteerd.
Laten we beginnen met het verhaal van de grote verschuiving.
De belofte
Na de grote wederopbouw in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw, kwamen we vanaf de jaren ’70 in een nieuwe wereld terecht en Nederland paste er niet meer in.
Door globalisering werden de industrietakken waar Nederland groot mee was geworden een voor een weggevaagd. De textielindustrie, de machinebouw en de scheepswerven verloren hun klandizie aan goedkope concurrentie uit Azië. Hele steden zagen hun economische basis naar het buitenland vertrekken. Aanvankelijk probeerde de Nederlandse Staat nog met subsidies de bedrijfstakken overeind te houden, maar het was vechten tegen de bierkaai. In tien jaar tijd was Nederland zijn productiebasis kwijtgeraakt.
Overal in West-Europa worstelden landen met hetzelfde probleem. Engeland was koploper met ‘the British disease’: een combinatie van hoge inflatie, werkloosheid en verouderde industrie dat het land al bijna op de knieën gedwongen had. Zij waren ook het eerste land dat eind jaren ’70 het Keynesiaanse model van overheidsinterventie en regulering overboord gooiden en vervingen door een nieuwe benadering van privatisering, deregulering en marktwerking. “There is no alternative,” zei de toenmalige premier Margaret Thatcher, die later de bijnaam ‘the Iron Lady’ kreeg. Het was het begin van een nieuw tijdperk.
Nederland volgde een decennium later met de paarse kabinetten van Wim Kok. Ook wij gingen privatiseren, dereguleren en de markt zijn werk laten doen. Maar waar Thatcher en Reagan het neoliberalisme radicaal omarmden, kon Nederland niet kiezen.
Het probleem was het polderen. Elk kabinet is een coalitie, elke coalitie vraagt compromissen, elk compromis betekent een beetje van alles en dus niks helemaal. De liberalen wilden privatiseren, de sociaaldemocraten wilden de overheid behouden, dus kregen we privatisering met overheidsgaranties. De een wilde marktwerking, de ander wilde sociale bescherming, dus kregen we gereguleerde markten met toezichthouders die de concurrentie weer uitsloten. Het neoliberale recept werd gepolderd tot een warrige mengelmoes die de nadelen van beide systemen combineerde.
Maar Nederland zou Nederland niet zijn als wij die mengelmoes niet konden verkopen als Nederlandse genialiteit. Waar Reagan en Thatcher arbeiders keihard op straat gooiden, zouden wij niemand achterlaten. Waar zij koud en asociaal waren, zouden wij warm en inclusief zijn. Voor dat Anglo-Saksische kapitalisme haalden wij lichtjes hoofdschuddend onze neuzen op. Wij konden dat zoveel beter.
Nederland werd niet zomaar een kenniseconomie. Wij werden de humane kenniseconomie. In plaats van mensen weg te gooien zouden we ze slimmer maken. Het doel werd om vijftig procent van de bevolking hoger onderwijs te laten volgen en 85 procent van alle jongeren een startkwalificatie te geven. De fysieke productie mocht gerust naar China en Bangladesh: wij hielden het intellectuele deel. Het ontwerp, de financiering, de marketing en het management.
De boodschap was helder en hoopvol: onderwijs werd de nieuwe grondstof van onze welvaart. Iedereen moest naar de universiteit. Nederland zou hét kennisland van Europa worden, het brein van de wereldeconomie. We zouden de Silicon Valley van de oude wereld bouwen. Amsterdam als financieel centrum, de Randstad als innovatiehub, Nederland als het meest concurrerende kennisland ter wereld. Een hele generatie groeide op met het stralende idee dat studeren niet alleen hun eigen toekomst zou garanderen, maar die van het hele land. Het was een mooie belofte. En wij geloofden erin.
De realiteit
Geen plan overleeft het eerste contact met de vijand.
Helmuth Karl Bernhard Graf von Moltke (Pruisische veldmaarschalk 1800-1891)
Van de beloofde kenniseconomie is weinig terechtgekomen. In plaats daarvan hebben we van Nederland een technocratisch labyrint gemaakt waarin we allemaal verdwalen tussen de hagen van duizenden regels en honderden toezicht- en adviesraden.
De Nederlandse economie is grotendeels vastgelopen. Onze laatste kippen met gouden eieren houden we alleen nog hier door ze te paaien met lage belastingen en subsidies. Terwijl onze politici elkaar aanvliegen om trivialiteiten, slepen wij ons van de ene gefabriceerde crisis naar de volgende. Want beslissingen nemen? Dat kan niet meer zonder eerst netjes toestemming te vragen aan de internationale leenheren.
Ongebreidelde Europese geldproductie heeft onze woningen en boodschappen onbetaalbaar gemaakt. Maar dat is pas het begin. Nederland heeft maar liefst 30,4% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) aan staatsgaranties aan Europa uitstaan, ruim het dubbele van andere EU-landen. In 2023 ging het om een bedrag van ruim €300 miljard dat als een zwaard van Damocles boven ons hoofd hangt.
Want als het ergens in de EU misgaat, zullen onze reserves worden aangesneden. En omdat onze overheid altijd geld tekortkomt, zal die rekening uiteindelijk in de vorm van hogere belastingen en minder voorzieningen aan ons gepresenteerd worden. Nederland is verworden tot een uitvoeringsorgaan van de Europese bureaucratie die steeds zwaarder op onze samenleving drukt.
Inmiddels heeft bijna de helft van de Nederlandse huishoudens moeite met rondkomen, maar de technocratische machine draait onvermoeibaar door. Hoe heeft de kenniseconomie zo grondig kunnen falen?
1. Theorie maakt dom
Kennis heeft pas waarde als je weet hoe je haar moet toepassen. Nederland heeft eeuwenlang gefloreerd omdat we theoretische inzichten combineerden met praktische ervaring. Onze ingenieurs ontwierpen niet alleen slimme oplossingen, ze begrepen ook hoe je die oplossingen daadwerkelijk realiseerde. Toen wij vanaf de jaren ’90 de vakopleidingen sloten en volledig gingen inzetten op theoretische kennis, sloopten wij tegelijkertijd het fundament onder onze economische kracht.
Kennis en productie versterken elkaar. Sluit je een fabriek, dan raak je niet alleen arbeidsplaatsen kwijt; je verliest ook de ingenieurs die weten hoe de machines werken, de technici die problemen kunnen oplossen en de ontwerpers die begrijpen wat wel en niet mogelijk is. Breek je scheepswerven op, dan verdwijnt niet alleen de scheepsbouw maar ook de kennis om schepen te ontwerpen. Terwijl andere landen een deel van hun productie behielden, zette Nederland vol in op dienstverlening. Zo verdween niet alleen het werk, maar ook de kennis die generaties lang was opgebouwd.
2. Focus op de verkeerde diensten
Een diensteneconomie is op zich niet problematisch. Vrijwel alle westerse landen draaien voor 70 tot 80 procent op dienstverlening. Een hoogontwikkeld land kan op productie niet concurreren met lagelonenlanden. Dus is het slim om die onderdelen waar geen winst te behalen valt uit te besteden en je te specialiseren op die diensten waar je wel een onderscheid kan maken.
Duitsland bijvoorbeeld bouwde diensten die hun industrie ondersteunden: engineering bureaus, designstudio's, technische consultancy. Deze diensten maakten hun fabrieken productiever en hun producten beter. Ze versterkten de industriële basis en dat maakt dat Duitsland tot de dag van vandaag de grootste economie van Europa heeft.
Nederland ging een andere kant op. Bepaalde branches, zoals de havens, transport en enkele niches in medische zorg (Philips) en hightech R&D (ASML) bleven. Maar daarnaast begon een andere tak van dienstverlening spectaculair te groeien. Overal ontstonden compliance-afdelingen, beleidsadviesbureaus, communicatiebedrijven, projectmanagement-organisaties, consultancykantoren, subsidieorganen en toezichthouders: sectoren die vooral naar binnen zijn gericht en nauwelijks waarde toevoegen.
Het resultaat van de kenniseconomie werd een papieren-economie die steeds verder uitdijde.
3. De nieuwe banenmachine
Een van de grootste misrekeningen van de kenniseconomie was de uitstroom van honderdduizenden hoogopgeleiden die volledig theoretisch geschoold waren, maar praktisch nauwelijks inzetbaar. Ze moesten ergens heen. Dus werd er een banenmachine opgetuigd om hen van werk te voorzien, waarbij niemand zich nog afvroeg of dat werk ook meerwaarde had. De bullshitbaan was geboren.
De overheid en de semipublieke sector waren de eerste opvang. Gemeenten, provincies, zorginstellingen, onderwijsorganisaties en woningcorporaties kregen lagen van beleidsmedewerkers, managers en coördinatoren bovenop hun kernwerk. Voor iedere docent verscheen een onderwijskundige beleidsadviseur. Voor iedere verpleegkundige een kwaliteitscoördinator. Voor iedere woningcorporatie een duurzaamheidsmanager. Het primaire werk veranderde nauwelijks, maar de papierlaag eromheen groeide explosief.
Het bedrijfsleven volgde dezelfde weg. Om te voldoen aan steeds complexere regelgeving werden complete compliance-afdelingen opgericht. HR-afdelingen zwollen op om de interne processen te managen. Consultants en projectmanagers trokken van organisatie naar organisatie om rapporten te schrijven, vaak meer om de schijn van beheersing op te houden dan om echte waarde te leveren. De werkvloer werd leger, de staf steeds voller.
Zo ontstond een economie waarin banen niet langer voortkwamen uit economische noodzaak, maar uit sociale en politieke druk om hoogopgeleiden bezig te houden. Een subtiel maar ingrijpend werkverschaffingsprogramma voor de intellectuele middenklasse, dat vooral geld en titels rondpompt. Voor de samenleving leverde dit sociale programma vooral stapels papier en stijgende lasten op alsook de start van een Ponzi-scheme: hoogopgeleiden die voor hun status en inkomen leunen op de belastingen van de werkende middenklasse.
4. Nederland, belastingparadijs voor buitenlanders
Nederland telt ongeveer 14.000 brievenbusfirma’s: bedrijven die alleen op papier bestaan, zonder kantoor of werknemers. Het zijn die lege kantoren op de Amsterdamse Zuidas waar hooguit een kamerplant staat. Door deze brievenbussen stroomt jaarlijks ruim € 4.500 miljard, het vijfvoudige van ons totale bbp. Daarover wordt gemiddeld slechts zo’n 0,2% belasting geheven.
Grote spelers als het Amerikaanse Google schuiven hun winsten via Nederland door naar Bermuda; Het Saoedische oliebedrijf Aramco doet iets soortgelijks met fiscale routes via Nederlandse entiteiten. Het zijn bedrijven die hier geen activiteiten ontplooien, maar ons land uitsluitend gebruiken om hun belastingdruk te minimaliseren. Waar in het verleden belastingparadijzen zoals Panama of de Bahama’s scheve ogen trokken, is Nederland inmiddels ’s werelds grootste doorvoerhaven voor kapitaal naar dergelijke oorden.
Voor Nederland zelf levert dit nauwelijks iets op. De trustsector en aanverwante fiscalisten en advocaten creëren enkele tienduizenden banen en een paar honderd miljoen opbrengsten, een fractie van ons totale BBP. Daar komt bij dat deze fiscale sluiproutes onze eigen bedrijven benadelen: zij betalen wel de volle vennootschapsbelasting én dragen de sociale lasten, terwijl multinationals via Nederland vrij spel hebben.
In internationale statistieken lijkt Nederland een investeringsgrootmacht. In de ranglijsten van OESO, IMF en DNB staan we bovenaan als ontvangend land voor buitenlandse investeringen. Maar ruim 80% daarvan bestaat uit spookkapitaal: geld dat hier geen seconde blijft, geen banen oplevert en niets toevoegt aan ons bbp. Het is een luchtspiegeling; een schoolvoorbeeld van een irreële economie die parasiteert op de reële.
5. Brusselse leenheren
Na de tweede wereldoorlog wisten we: dit nooit meer. We besloten te gaan samenwerken. Het begon met een klein project: zes landen die zich verenigden rond kolen en staal. Door de jaren heen breidde deze integratie zich uit: meer landen sloten zich aan en we openden onze interne markten voor elkaar. Altijd vanuit de gedachte dat economische verbondenheid niet alleen oorlog voorkomt, maar ook welvaart brengt voor ons allemaal.
Het was pas in 1992 met de oprichting van een Europese en Monetaire Unie (later EU) dat we het fundament hebben gelegd voor de autoritaire, technocratische EU die we vandaag de dag hebben. Door onze monetaire soevereiniteit aan de EU over te dragen, zijn we niet alleen een enorme welvaartsoverdracht van Noord naar Zuid en West naar Oost begonnen, we hebben ook alle instrumenten om onze eigen economie te reguleren uit handen gegeven.
Onze huizen zijn vandaag onbetaalbaar omdat de Europese Centrale Bank (ECB) de rente al jaren kunstmatig laag houdt. Niet om ons te helpen, maar omdat Italië, Spanje, Portugal en Griekenland anders hun staatsleningen niet meer kunnen financieren. Bovendien heeft de ECB voor miljarden aan slechte leningen van diezelfde landen opgekocht, wat hier tot enorme inflatie leidde en onze boodschappen fors duurder heeft gemaakt. De ironie is dat de zuidelijke landen er zelf nauwelijks beter van zijn geworden. Ook zij worstelen met de slecht passende 'one size fits all'-oplossingen van EU-technocraten die blind zijn voor de verschillen tussen 27 economieën, klimaten en culturen.
Vandaag de dag werken er alleen al 32.000 ambtenaren voor de Europese Commissie. Daar komen nog eens 10.000 ambtenaren bij het Europees Parlement en de Europese Raad bovenop. Al met al hebben we momenteel meer dan 50.000 functionarissen in Brussel werken, die de hele dag bezig zijn om regels te bedenken waarom Nederlandse boeren moeten stoppen, waarom de Duitse auto-industrie moet verdwijnen en waarom Poolse gemeenten hun energiebeleid niet zelf mogen bepalen. Problemen die op lokaal niveau nooit een crisis hadden kunnen veroorzaken, worden nu onoplosbaar gemaakt door Europese regelgeving.
Er is ook geen beleidsterrein meer over waar de EU zich niet tegenaan bemoeit, onafhankelijk of daar verdragen aan ten grondslag liggen. De EU komt met gedetailleerde regelgeving over hoe krom een komkommer precies mag zijn en vervolgens is het aan elke lidstaat om uitgebreide monitoring en toezichtsorganen op te richten om zorg te dragen dat er geen kromme komkommers bij ons in de schappen komen te liggen.
Het EU-budget en extra fondsen bedragen samen inmiddels jaarlijks rond de €200 miljard. Hiermee financieren we vooral een gigantische bureaucratie van hoogopgeleide functionarissen die hun dagen vullen met het uitdenken van manieren om hun eigen financiers het leven onmogelijk te maken.
Het resultaat
Al deze factoren bij elkaar hebben ervoor gezorgd dat we geen kenniseconomie zijn geworden, maar een technocratie: een land dat alleen nog maar kan denken in regels, procedures en protocollen. Ook is een enorme tweedeling tussen hoogopgeleid en laagopgeleid ontstaan, waarbij notabene de laagopgeleiden hun schouders mogen breken om de hoogopgeleide middenklasse van een baan te voorzien. Met het uitbesteden van de productie hebben we een irreële economie gecreëerd van hoogopgeleide mensen die economisch geen waarde toevoegen, maar die het met hun regels en procedures de reële economie steeds moeilijker maakt.
U hoeft mij niet te geloven, maar kijk naar het toenemende aantal faillissementen in het MKB en vraag uzelf af: wie brengt straks nog de belastingen op om al die ambtenaren van een salaris te voorzien?
Voor de volgende keer:
De volgende keer gaan we het hebben over hoe het onderwijs zoveel hoogopgeleiden kon afleveren die economisch zo weinig bijdragen.
Het systeem dat ons moest helpen, vernietigt ons. Lees waar het eindigt.
Bureaucraten bouwen de perfecte gevangenis met de beste bedoelingen. Wat gebeurt er als niemand meer de sleutels heeft?





Ik werk als ZZPer in de Glazenwasserij en schoonmaak. Me altijd al verbaasd dat op kantoren de ene laptop de andere laptop bezighoudt en dat andere mensen dat weer via een laptop verwerken/bekijken. Ik werk 6 dagen waarvan drie met mijn zoon. Die vind dat wel voldoende, je moet ook van het leven genieten. Ik was ramen bij mensen die op een HR afdeling werken maar die het managen thuis minder lukt. Bijna iedereen is een onnadenkende consument geworden en koopt heel de dag troep die ze niet nodig hebben. Ik hoef me alleen op mijn werk te richten, geen afleiding van andere afdelingen en advies clubs. Mocht ik vragen hebben zijn er genoeg klanten waar je terecht kunt. 5 minuten kost dat en je kunt weer verder. En om af te sluiten, een klant die mental coach is formuleerde het zo. “ Ik krijg 225,- per uur om mensen te vertellen wat ze meestal al weten” De Arbeiders zijn onvindbaar, maar dat lossen we vergaderend op. Blijf het wel knap vinden dat er 1 miljoen afgekeurde zijn, 4 miljoen AOW ers. Honderdduizenden studenten en scholieren, minderjarige en deeltijd werkers, dit land nog steeds redelijk functioneerd. En ik verrekes lekker verdien en mijn gezin prima kan helpen.
We zijn echt gedoemd, hopelijk beseffen we ons dit snel. Heel goed geschreven!