Afbeelding: René Magritte, Het verraad van de afbeelding (1929) — ‘Dit is geen pijp,’ te vinden in het Los Angeles County Museum of Art.
Een mededeling vooraf:
Ik heb ontzettend geworsteld om in dit artikel alle samenhangende oorzaken mee te nemen en het toch leesbaar en behapbaar te houden. Sommige thema’s zijn daarom meer impliciet dan expliciet uitgewerkt en het stuk is wat abstracter geworden dan ik had gewild. Maar wees gerust: in de volgende artikelen zal veel van wat ik hier aanstip concreet worden gemaakt met voorbeelden uit de praktijk.
De erfenis van de maakbare mens
De afbraak van ons onderwijs is niet begonnen met domheid, maar met idealen. In de jaren negentig ruilden we kennis in voor maakbaarheidsdenken: het geloof dat elk kind hetzelfde kon bereiken, zolang het maar genoeg begeleiding kreeg. Hoe mooi dat gelijkheidsideaal op papier ook leek, in de praktijk raakte het onderwijs onherstelbaar beschadigd als kennisinstituut en veranderde het in een opvoedpoli die kinderen van jongs af aan socialiseert en vormt naar de gewenste morele maatstaf.
Ironisch genoeg raakt dit systeem de hoogopgeleide veel harder dan de laagopgeleide. In toenemende mate is dat een zij: de moderne hoogopgeleide vrouw, gevormd in een systeem dat haar talenten beloont en haar twijfel afleert. Zij is opgegroeid in een wereld waarin overtuiging belangrijker is dan inzicht en morele juistheid zwaarder weegt dan kennis of ervaring. Feiten en logica verliezen hun betekenis zodra de uitkomst botst met het morele kader van de hoogopgeleide. Deugen is belangrijker geworden dan deskundigheid.
Het onderwijs heeft daarmee niet alleen zijn inhoud verloren, maar ook zijn rol als kennisinstituut. Het is een kerk geworden waar geloven belangrijker is dan leren. Kritisch denken wordt snel afgeleerd als er maar één juist antwoord bestaat. Zo hebben we een generatie voortgebracht die precies weet wat ze hoort te vinden, maar geen idee heeft waarom.
In dit deel gaat het niet langer over het verval van het onderwijs, maar over wat het heeft voortgebracht: de nieuwe hoogopgeleide mens. Zij is loyaal, netjes, moreel juist en daardoor gevaarlijk volgzaam. Haar denkvermogen is niet verdwenen, maar gekanaliseerd naar de juiste meningen. De prijs van het maakbare onderwijs is niet alleen moderne stupiditeit, maar een generatie gelovigen die koste wat kost haar eigen overtuigingen in stand probeert te houden.
Laten we bij het begin beginnen.
Hoe het begint
De verschuiving van kennis naar moraal lijkt onschuldig te beginnen, maar niets is minder waar. Zodra een kind op school komt, begint het proces van socialisatie. Prentenboeken over ‘anders zijn’, ‘delen’ en ‘jezelf mogen zijn’ zetten de toon in de kleuterklas. Vanaf groep 1 komt daar de seksuele voorlichting van Rutgers bij, die vriendelijk begint over vriendschap en grenzen, maar door de jaren heen uitgroeit tot een normatief programma over gender, diversiteit en identiteit. Basisschoolkinderen maken al vroeg kennis met expliciet lesmateriaal over lichaam en seksualiteit, inclusief oefeningen over aanraking en grenzen. De bedoeling is empathie en veiligheid te bevorderen, maar de uitwerking is normerend: kinderen leren niet zelf hun denkkader of grenzen bepalen, maar worden geïnstrueerd hoe ze hun gevoelens moeten duiden.
In de middenbouw groeit socialisatie uit tot het hart van het onderwijs. De bedoeling is dat kinderen opgroeien tot betrokken, respectvolle burgers, maar in de praktijk betekent het dat morele vorming de plaats inneemt van kennis. Burgerschap, duurzaamheid en sociale veiligheid vullen de lestijd die vroeger bedoeld was voor taal, rekenen en wereldverkenning. Schooltv en het Jeugdjournaal leveren daarbij de morele duiding van de actualiteit, die in de klas verder wordt herhaald. Zo leren leerlingen niet alleen over de wereld, maar ook hoe ze haar moeten interpreteren. Politieke kwesties en maatschappelijke thema’s krijgen vaste rollen toebedeeld: goed of fout, veilig of bedreigend. Vijandbeelden worden opgelegd: mensen die je niet hoeft te begrijpen, maar alleen moet wantrouwen. Ook hier is de lesstof uitermate normerend. De leerling leert niet nadenken, maar absorbeert wat haar wordt voorgeschreven. Onderwijs is daarmee verworden tot een uitgebreide training in correct gedrag met wat taal- en rekenlessen eromheen.
Deze verandering is niet onschuldig. Op jonge leeftijd is abstract redeneren nog niet ontwikkeld, kinderen leren via associatie. Wanneer die associaties moreel worden geladen – goed of fout, waarheid of complot, veilig of bedreigend – én met angst worden bekrachtigd, nestelen ze zich in de denkstructuur van het kind. Ze leert niet redeneren, maar intuïtief reageren.
Het resultaat is dat nieuwsgierigheid en nuance verdwijnen. De lesstof leert dat er één juiste houding is bij elk onderwerp. Wie een andere invalshoek kiest, krijgt niet ongelijk omdat het argument zwak is, maar omdat het moreel niet deugt. In zo’n omgeving wordt kritisch denken niet ontmoedigd maar geherdefinieerd: kritisch ben je alleen als je kritisch bent tegen de verkeerde kant.
Zo ontstaat al op de basisschool een intellectuele monocultuur die later het kenmerk wordt van het hoger onderwijs. Wie doorstroomt blijft binnen hetzelfde morele kader en krijgt aangeleerd dat consensus gelijkstaat aan intelligentie. Wie eerder uitstroomt verlaat die papieren realiteit en komt zo sneller in aanraking met de weerbarstigheid van de werkelijkheid. Dit verklaart ook de verschillende denkwijzen tussen hoog- en laagopgeleiden: laagopgeleiden ervaren veel sneller de gevolgen van normatief denken dan hoogopgeleiden dat doen.
Die intellectuele monocultuur stopt niet bij de klasdeur. Ze wordt van bovenaf georganiseerd, waar onderwijs en politiek samenvallen en de Onderwijsinspectie zichzelf tot opzichter heeft benoemd.
De institutionalisering van middelmatigheid
Ooit hadden we een onderwijsinspectie die borg stond voor de kwaliteit van het onderwijs. Tegenwoordig is zij een verlengstuk van overheidsbeleid. Haar taak is niet meer om te controleren wat kinderen leren, maar om te zien of scholen de politieke agenda netjes uitvoeren. De inspectie oordeelt niet meer onafhankelijk; ze beoordeelt scholen op hun volgzaamheid aan beleidsdoelen: diversiteit, veiligheid, inclusie, burgerschap. Hoe beter het op papier klopt, hoe minder het uitmaakt wat er feitelijk wordt geleerd.
Met de macht om maatregelen op te leggen of scholen zelfs te sluiten, houdt de inspectie iedereen in de pas. Alles wat niet in beleidsjargon past geldt als risico. Met de zweep van kansengelijkheid slaat de inspectie verschillen weg die ooit juist de motor waren van kwaliteit. Een school die haar leerlingen meer uitdaagt dan gemiddeld geldt als elitair. Een leraar die meer eist wordt weggezet als onveilig.
Zo straft het systeem alles wat boven het maaiveld uitsteekt. Excellente scholen mogen zichzelf niet meer excellent noemen, want dat zou sociale verschillen bevorderen. Ouders worden ontmoedigd een school te kiezen waar hun kinderen meer worden uitgedaagd. De bureaucratische tijger heeft zijn tanden in de verkeerde onderwerpen gezet: niet kennis maar conformiteit bepaalt hoe hoog een school nog scoort.
Het resultaat is dat intelligentie is gebureaucratiseerd. Slimheid is vervangen door volgzaamheid. Wie door de juiste hoepels weet te springen wordt gezien als hoogintelligent; wie buiten bestaande kaders denkt als dissident. Zo kweekt de inspectie de hoogopgeleiden die later de meest volgzame uitvoerders worden van hetzelfde beleid dat hen heeft voortgebracht.
Met de opkomst van digitalisering werd dat bureaucratische denkkader niet doorbroken, maar verder versterkt.
Kennis zonder begrip
Waar bureaucratie kennis heeft platgeslagen tot beleid, heeft digitalisering haar opgelost in informatie. Hoewel digitalisering op het eerste gezicht vooruitgang lijkt, is het in werkelijkheid de voltooiing van hetzelfde maakbaarheidsdenken dat het onderwijs al decennialang verzwakt. Het idee dat elk kind alles kan leren, maakte van onderwijs een systeem van vastomlijnde methodes en meetmomenten. Digitalisering gaf dat maakbaarheidsdenken concrete handvatten: zolang leerlingen en studenten kunnen vinden waar iets staat, hoeven ze niet te begrijpen wat het betekent. Toepassing van kennis, ooit de belangrijkste functie van het onderwijs, werd vervangen door een zoekfunctie.
Wat overblijft is kennis zonder werkelijkheid. Een leerling kan informatie reproduceren, maar niet verklaren waarom iets is zoals het is, onder welke omstandigheden dat geldt en wat er gebeurt wanneer die omstandigheden veranderen. Ze leert dat informatie altijd tot dezelfde uitkomst leidt, ongeacht context. Blijkt de werkelijkheid anders te reageren, dan ligt dat volgens deze logica niet aan de kennis, maar aan de werkelijkheid.
De digitale kennisomgeving versterkt dit mechanisme. Scholen accepteren alleen ‘betrouwbare bronnen’ die vooraf al zijn gesorteerd. Schoolbibliotheken, universiteitsdatabases en zoekmachines leveren een keurige selectie die past binnen het dominante denkkader. Afwijkende perspectieven bestaan technisch wel, maar verdwijnen in de diepte van de resultaten. Er zijn maar weinig mensen die verder scrollen dan de eerste pagina van de zoekresultaten als de gewenste antwoorden bovenaan staan.
Kunstmatige intelligentie sluit de kringloop. Deze systemen zijn niet alleen getraind op dezelfde gefilterde bronnen, maar ook ingericht om altijd meegaand te zijn. Ze bevestigen wat al gold, alleen nog sneller en overtuigender. Daarmee verdwijnt de noodzaak om nog kritisch te denken en door te vragen. Het gevolg is een generatie die alles kan opzoeken, maar niets meer doorgrondt.
Ironisch genoeg wordt juist de hoogopgeleide het hardst geraakt door deze cognitieve verschraling. Ze heeft geleerd dat je niet per se hoeft te begrijpen als je de correcte bronnen maar kunt citeren. Ze kan samenvatten, verwijzen, analyseren, maar niet toepassen en wordt daarin bevestigd door een digitale omgeving die haar zelfstandig nadenken verder ontneemt. Zo ontstaat de hoogopgeleide die veel weet, weinig begrijpt en geen idee heeft hoe ze dat verschil zou moeten herkennen. En dat heeft ze allemaal op de universiteit geleerd.
De universiteit als safe space
Ooit was de universiteit een vrijplaats voor kennis en debat, waar botsing van ideeën het doel was en studenten leerden door tegenspraak. Maar het maakbaarheidsgeloof heeft ook van de universiteit een pedagogisch verlengstuk gemaakt, een safe space waar de moderne troetelstudent door niets of niemand gekwetst mag worden, zelfs niet door ideeën.
Deze transformatie is niet begonnen met een culturele revolutie op de campus, maar met structurele noodzaak. De onderwijshervormingen van de jaren negentig – basisvorming en tweede fase – hadden grote aantallen studenten voortgebracht die niet langer waren voorbereid op academisch denken en werken. Die massificatie, gecombineerd met een duidelijke daling van de vooropleidingsniveaus, dwong universiteiten ertoe hun eigen eisen te versoepelen. De oplossing werd net als in het voortgezet onderwijs gezocht in meer eenvoud: snellere doorstroom met minder diepgang. Op deze wijze konden grote aantallen studenten alsnog een diploma krijgen, in plaats dat zij het eerste jaar al zouden uitvallen. Zo herhaalde zich op universitair niveau wat eerder het voortgezet onderwijs had uitgehold: gelijke uitkomsten door de lat te verlagen.
Die logica werd economisch verankerd toen het ministerie van Onderwijs het financieringsmodel van universiteiten ombouwde van input naar output. Voortaan kregen universiteiten het grootste deel van hun financiering op basis van het aantal studenten dat een studiejaar afrondde of een diploma haalde. Het rendementsdenken deed zijn intrede: vakken met hoge uitval of lage inschrijvingen werden geschrapt en studenten werden voortaan door de materie heen geracet waarbij vertraging uit den boze was. De universiteit ging draaien op cijfers, processen en procedures waarbij kennis steeds lager werd ingeschaald. Haalden te veel studenten een toets niet, dan werd het niveau verlaagd net zolang de slagingspercentages acceptabel waren.
De Bologna akkoorden versterkten deze tendens. Om onderwijs beter meetbaar en internationaal vergelijkbaar te maken werden vanaf 2002 de oude doctorandusopleidingen vervangen door bachelor- mastertrajecten met modulaire vakkenpakketten, ECTS-punten en standaardtrajecten. De curricula werden nog oppervlakkiger: studenten leerden niet langer een vakgebied begrijpen, maar modules afwerken. Ook hier ging de vaardigheid om informatie te vinden zwaarder wegen dan het vermogen om die informatie kritisch te doorgronden. Protocollair denken deed zijn intrede: wie keurig de modules doorwerkte en de multiple choice antwoorden netjes invulde, kreeg een diploma. De universiteit verloor haar academische aard en werd schoolser, voorspelbaar en behaaglijk. Waar de grootste kracht van een universiteit ooit lag in het produceren van dwarse denkers, werd zij expert in het produceren van volgzaamheid.
Die afhankelijkheid van meetbare output maakte universiteiten tevens kwetsbaar voor externe financiering en daarmee ook voor externe agenda’s. Terwijl de overheid het basisbudget bevroor of reëel verlaagde, groeiden de geldstromen uit Europese en nationale subsidieprogramma’s. Maar die subsidies zijn niet neutraal. Programma’s als Horizon Europe en het Jean Monnet-initiatief stellen geld beschikbaar, maar alleen voor onderzoek dat past binnen vooraf vastgestelde beleidsprioriteiten: klimaat, inclusie, digitalisering, gezondheid, Europese integratie. Subsidies worden verstrekt met de verwachting dat het onderzoek een vooraf gewenste maatschappelijke uitkomst bevestigt. Wie daarvan afwijkt verdwijnt uit de financieringsstroom: onderzoek naar de negatieve effecten van windmolens op fauna wordt systematisch afgewezen. Onderzoek naar de positieve bijdrage van migratie aan de samenleving wordt daarentegen rijkelijk gefinancierd. Een sociale wetenschapper die twijfelt aan de dominantie van gendertheorie krijgt geen contractverlenging, zoals herhaaldelijk is gebeurd aan de Universiteit van Amsterdam. Wie haar bevestigt, krijgt een platform, subsidies en een carrière.
Op deze manier ontstaat zelfcensuur zonder dat censuur van buitenaf hoeft te worden opgelegd. Studenten leren niet meer redeneren, maar hun gedachten positioneren: hoe zeg je iets op de juiste toon, binnen het juiste kader, met de juiste terminologie. Voorzichtigheid wordt een intellectuele deugd, afwijken een carrièrerisico.
Deze dynamiek, die voortkomt uit massificatie, rendementsdenken en ideologische vorming, heeft ervoor gezorgd dat op veel universiteiten vandaag een intellectuele monocultuur heerst. Van politicologie tot bedrijfskunde, onderwijswetenschappen en psychologie: wie afwijkt, verdwijnt uit de financieringsstromen, de publicatiekanalen en de loopbaanpaden. Groepsdenken heeft het intellectuele debat vervangen.
De hoogopgeleide die door dit systeem is gevormd, is moreel zeker maar intellectueel afhankelijk. Ze verwart deugen met intelligentie, collectieve consensus met waarheid, en klampt zich vast aan wetenschap die tegenwoordig net zo in de war is als zijzelf.
Wetenschap als waardeoordeel
Waar wetenschap jarenlang een plausibele methode was om de werkelijkheid te onderzoeken, lijkt ze steeds vaker op een moreel instrument om het juiste narratief te bevestigen. Subsidieverstrekkers eisen vaak dat onderzoek aansluit bij dominante maatschappelijke doelen, soms zelfs dat de uitkomst impliciet al vastligt. Eerst wordt de gewenste conclusie bepaald, daarna de methodologie. Door variabelen te selecteren, te herdefiniëren of als ‘niet relevant’ buiten beschouwing te laten, kan vrijwel elke gewenste uitkomst worden bereikt. Wat in wetenschappelijke wandelgangen ‘cherry picking’ heet, is inmiddels een structureel fenomeen: niet uit bedrog, maar uit morele zekerheid. Onderzoekers geloven veelal oprecht in de kaders die hen hebben gevormd.1
Vroeger leidde een afwijking in de data tot een herziening van de hypothese. Vandaag wordt de hypothese als onaantastbaar beschouwd en elke afwijking weggezet als ruis, fout of onnauwkeurigheid. De wetenschap loopt daarmee niet langer naar de werkelijkheid toe, maar juist de andere kant op: zij past de werkelijkheid aan het verhaal aan.
Dit fenomeen wordt structureel versterkt door een gesloten circuit van overheid, wetenschap en media. Subsidies bepalen welk onderzoek gedaan mag worden, beleidsnota’s bepalen welke conclusies relevant zijn en media vertalen die conclusies naar het publiek als ‘de wetenschap zegt’, ‘onderzoek wijst uit’ of ‘experts aan het woord’. Nooit wordt vermeld welke onderzoeksgegevens aan die conclusies ten grondslag liggen, welke methodiek is gebruikt en welke variabelen voor het gemak zijn uitgesloten. Onderzoekers passen hun hypotheses aan de financieringseisen aan, ambtenaren citeren alleen wat hun beleid ondersteunt en journalisten herhalen het als feit. Op deze manier is wetenschap niet langer een spiegel van de werkelijkheid, maar een echokamer van hetzelfde maakbaarheidsdenken waar het onderwijs inmiddels ook mee is doordrenkt. Het gevolg is een vertroebelde realiteit.
Voor de hoogopgeleide is deze vertroebelde realiteit niet alleen een manier van denken, maar een manier van bestaan: haar morele identiteit, haar carrière en haar sociale netwerk rusten op de overtuiging dat zij deel uitmaakt van de groep die ‘de feiten kent’. Een ander perspectief is daarom al snel desinformatie, een andere mening complotdenken.
De laagopgeleide daarentegen leeft in een wereld waarin ideeën worden beoordeeld op hun gevolgen. Wat niet werkt mislukt, ongeacht hoe moreel juist het idee ook is. Als de werkelijkheid een ander resultaat geeft, zal hij eerder loslaten wat hij op school heeft geleerd dan de werkelijkheid proberen te veranderen.
Zo groeit niet alleen een verschil in kennis, maar een verschil in wereldbeeld. Waar de één leeft binnen een zorgvuldig geconstrueerd narratief waarin iedereen elkaar bevestigt, leeft de ander in een werkelijkheid die geen ruimte laat voor illusie. Dat verschil in wereldbeeld wordt pijnlijk zichtbaar zodra kennis moet worden omgezet in kunde.
De hoogopgeleide die alles weet maar weinig kan
Door decennialang de lat te verlagen heeft het onderwijs een generatie voortgebracht die formeel toegang heeft tot het hoger onderwijs, maar inhoudelijk nauwelijks voorbereid is op academisch werk. De meeste scholieren halen vandaag hooguit het niveau van de oude mavo, maar krijgen toch een havo- of vwo-diploma.
De oppervlakkigheid van de vooropleiding leidt ertoe dat de meeste scholieren kiezen voor een A-studie als vervolgopleiding: communicatie, rechten, economie, sociale wetenschappen; studies die weinig eisen stellen aan logisch denken en vaardigheden zoals rekenen en wiskunde. De B-studies hebben hun eisen ook wel versoepeld, maar stellen nog steeds concrete eisen aan logica, causaliteit en techniek. Mooie woorden redden geen vliegtuigen als je luchtverkeersleider bent en een architect wiens brug instort wordt niet gered door een overtuigend betoog.
Het gevolg is scheefgroei: ons land kent steeds meer hoogopgeleiden, maar zonder de vaardigheden die bij die titel horen. Zij kunnen goed praten, maar niet logisch redeneren. Zij beheren systemen die zij niet begrijpen en zij geloven dat hun diploma gelijkstaat aan kennis, terwijl dat papiertje vooral bewijst dat ze zijn geslaagd in protocollair denken en het volgzaam uitvoeren van opdrachten.
Zo ontstaat een kloof die dieper gaat dan opleiding: de ene leeft in een wereld van papier en goedbedoelde woorden; de ander in een wereld waarin die goedbedoelde woorden worden getoetst aan de gevolgen. En terwijl de hoogopgeleide haar overtuigingen op die manier kan blijven koesteren, draagt de laagopgeleide de prijs van haar illusies.
In het volgende deel van deze serie gaan we in op hoe deze scheefgroei zich manifesteert op de arbeidsmarkt en wat daar de gevolgen van zijn.
Het systeem dat ons moest helpen, vernietigt ons. Lees waar het eindigt.
In een wereld waar iedereen gelijk denkt, hoeft niemand meer te denken.
Is dat vooruitgang, of graven we ons eigen graf?
Let wel: dit geldt veel meer voor de sociale wetenschappen dan de exacte wetenschappen. De exacte wetenschappen kunnen vaak niet om de werkelijkheid heen. Zwaartekracht verandert niet, hoe graag iemand dat ook zou willen…





Wederom herkenbaar en helder door je geschreven. De vruchten van het nivelleringsfeestje proeven wrang. Politici die beleid bepalen op basis van pure aannames zijn eerder regel dan uitzondering geworden.
De kassamedewerkster die wisselgeld in cash niet beheerst.
De arts die van het consult naar een 5 minuten gesprekje is gegaan. Inclusief de tijd op Google om je uit te leggen wat je mankeert etc.
Inderdaad dat protocollair denken. Vreselijk dat verlies aan common sense.
Heb altijd gevonden; één van de meest belangrijke beroepen is dat van leraar. Een goede leraar, van basis naar uni, is eigenlijk onbetaalbaar.
Zo denk ik nog vaak aan mijn leraar Nederlands terug. De man gaf 10 minuten echt les. De rest van het uur werd besteed aan discussies over van alles en nog wat. Achteraf besefte ik pas hoeveel de man ons heeft bijgebracht.
In die droomwereld van ongebreidelde horizon verkeerde ik nog, toen ik de leraar van mijn zoon verzocht tot inzage van zijn mislukte toets. Wilde gewoon snappen wat die jongen meende te begrijpen dan wel niet snapte.
Dat was nogal moeilijk. Want ja, die toets gebruikten ze ieder jaar weer. Dus die kon ze mij echt niet geven.
Geef me dan op z'n minst zijn antwoorden, vroeg ik. Nou daar was ze wel toe bereid. En ik kreeg per mail zijn antwoorden.
Van een multiple choice toets!
Dus ik keek naar al die letterlijke a-tjes, b-tjes en c-tjes waarvan er vele van fout waren maar hoe? Ik was even perplex. Wat bezielt zo iemand?
Onderaan had de lerares nog een persoonlijke noot geschreven in houterig handschrift; hier de toets zoals beloofd, doei.
Doei, zei ze ...
Maar ze had mijn vraag serieus genomen en mij de antwoorden gegeven die ik wilde.
Vermoedelijk alles keurig volgens protocol.
Beste Jeanette. Prima verwoord en heel prettig om dit te lezen: een onderwerp waarover mijn partner en ik reeds jaren op 1 lijn zitten. Partner hogere functies in het basis onderwijs, dus ervaring deskundige. ( 45 jaar in het onderwijs). Wel uniek om ook eens een verstandig artikel te lezen over " het onderwijs". hulde en groet