Jan Steen, De Rederijkers, ca. 1665. Worcester Art Museum, Worcester MA, USA
In het vorige deel zagen we hoe het onderwijs een generatie heeft voortgebracht die moreel zeker is maar intellectueel afhankelijk. Die generatie staat nu op de arbeidsmarkt en de arbeidsmarkt heeft precies op haar gewacht.
En dan…
En dan staat ze buiten.
Diploma op zak.
Vier jaar lang heeft ze geploeterd, tentamens gehaald, papers geschreven en groepsopdrachten uitgevoerd. Ze is vaardig in PowerPoint, soepel in jargon en bedreven in het volgen van instructies. Ze kan problemen benoemen, processen beschrijven en bepalen welke waarden daarbij horen.
Ze is nu hoogopgeleid
Maar wat kan ze eigenlijk?
Ze scrolt door vacatures.
Projectmedewerker. Beleidsadviseur. Junior consultant. HR-medewerker. Trainee duurzaamheid. Coördinator participatie. Compliance officer. Communicatiespecialist.
Functies zonder product en zonder tastbare output. Waar succes wordt gemeten in wat is vastgelegd en falen hooguit leidt tot een extra overleg, een rapport, nieuwe regels en aangescherpte procedures.
Voor de vorm kijkt ze nog even naar sectoren waar het land werkelijk mensen tekortkomt: zorg, onderwijs, techniek, ict. Werk dat moet werken. Waar output direct zichtbaar is en fouten gevolgen hebben.
Maar daar is ze niet voor opgeleid.
Dus beland ze waar haar vaardigheden passen.
Bij grootbedrijf of grootoverheid.
In beleid, toezicht, HR, compliance, juridische afdelingen en managementlagen.
Waar productie bestaat uit papier.
En risicobeheersing belangrijker is dan een oplossing.
Daar kan zij functioneren zonder ooit verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor de gevolgen van haar werk.
En daar is waar inmiddels bijna de helft van onze beroepsbevolking werkzaam is.
De grote verschuiving
“Vroegah was alles beter”
Dertig jaar geleden werkte ongeveer vijfenzeventig procent van de beroepsbevolking in sectoren waarin daadwerkelijk nieuwe waarde werd gecreëerd. Ongeveer vijfendertig procent hield zich bezig met tastbare productie: industrie, bouw, landbouw en energie. Nog eens veertig procent werkte in diensten die daar direct aan gekoppeld waren zoals logistiek, transport, handel en technisch onderhoud. De resterende vijfentwintig procent werkte in administratieve en bestuurlijke functies.
Vandaag de dag ziet die verhouding er anders uit. Nog maar twintig procent van de beroepsbevolking werkt in sectoren die tastbare goederen produceren. Tegelijkertijd is de dienstensector gegroeid tot circa tachtig procent van de werkgelegenheid en ruim driekwart van het bbp.
Op het eerste gezicht lijkt dat een logisch patroon voor een hoogontwikkelde economie. Wanneer productie zich verplaatst naar lagelonenlanden, verschuift een land naar kennis, innovatie en hoogwaardige dienstverlening. De concurrentie verschuift dan van arbeid naar kennisvoorsprong. Maar dat is niet de richting waarin de Nederlandse diensteneconomie zich heeft ontwikkeld.
De feitelijke verschuiving liep niet van productie naar kennis, maar van waarde creëren naar waarde onttrekken. Waarde-creërend werk brengt iets voort wat er daarvoor niet was: een gebouw, een machine, een verzorgde patiënt, een kind dat leert lezen. Waarde-onttrekkend werk brengt zelf niets voort, maar beheert, reguleert, controleert en verantwoordt wat anderen hebben gemaakt. In de afgelopen dertig jaar is de werkgelegenheid het sterkst gegroeid in precies die tweede categorie: bij de overheid, semipublieke instellingen, financiële dienstverlening en zakelijke diensten. Naar schatting is inmiddels de helft van de beroepsbevolking werkzaam in waarde-onttrekkende banen, van beleid en toezicht tot management, compliance en verslaglegging. Daardoor moet een relatief kleine productieve kern een steeds zwaardere laag van beheer en controle dragen.
Wanneer een groot deel van de beroepsbevolking zich alleen maar bezighoudt met administratie, rapportage, toezicht en regulering, verandert ook het karakter van de economie. Bureaucratie is dan niet langer een ondersteunende laag rondom economische activiteit, maar het kader waarbinnen die activiteit plaatsvindt. Economische handelingen worden ingebed in regelsystemen, verantwoordingsstructuren en controlemechanismen die vooraf bepalen wat telt als correct en legitiem. Daarmee verschuift ook wat in het dagelijks werk als bekwaam geldt: werk draait in toenemende mate om het toepassen van regels, het volgen van instructies en het functioneren binnen systemen die uniformiteit en controleerbaarheid vereisen. Achter die systemen zitten nog altijd mensen, maar hun rol is verschoven van zelfstandig nadenkend professional naar uitvoerder van vastgelegde procedures.
In een omgeving waarin procesdenken en instructies volgen de kern van het werk vormen, worden dat de dominante vaardigheden. En in die omgeving vindt de moderne hoogopgeleide moeiteloos haar plek.
De opkomst van de regelstaat
Probeer vandaag in Nederland iets te bouwen, iets te organiseren of iets te veranderen en je loopt vrijwel direct tegen een woud van voorschriften aan. Een woning verbouwen vraagt om vergunningen en toetsing aan bestemmingsplannen. Voor een buurtfestival zijn vergunningen, veiligheidsplannen en meerdere verzekeringen vereist. Wie iets wil veranderen, moet kunnen aantonen dat alle procedures zijn doorlopen en aan alle voorwaarden is voldaan, met als gevolg dat de voorbereiding vaak meer tijd kost dan de uitvoering zelf.
Dat is niet alleen een kwestie van een overmaat aan regels. Opvallender is dat beslissingen zelden nog op inhoud worden verdedigd, maar worden gelegitimeerd met verwijzingen naar wetgeving, richtlijnen en protocollen. “Het mag niet van de regels”, “wij zijn daartoe verplicht” of “daar gaat Europa over” gelden daarbij als afdoende argument. Dat de uitkomst mogelijk onwenselijk is en maatwerk tot betere resultaten kan leiden, weegt tegenwoordig minder zwaar dan de eis dat het besluit past binnen het geldende juridische kader.
Maar deze situatie is niet van de ene op de andere dag ontstaan.
De eerste aanzet ligt bij het vastlopen van de naoorlogse verzorgingsstaat. Na de oliecrisis van 1973 maakte stagnerende groei, oplopende werkloosheid en exploderende overheidsuitgaven het model onhoudbaar. Onder invloed van het neoliberale denken werd een decennium later gekozen voor privatisering en verzelfstandiging. Staatsbedrijven werden op afstand gezet, publieke taken uitbesteed en overheidsorganisaties opgesplitst. De overheid trok zich terug uit de uitvoering, maar bleef politiek verantwoordelijk voor de uitkomsten.
Politieke verantwoordelijkheid zonder directe aansturing is alleen houdbaar als je de uitvoerder bindt. Privatisering bracht daarom geen vrije markt maar normering: gedetailleerde voorschriften over wat private partijen moesten leveren, toezichthouders die dat controleerden en sancties voor wie zich er niet aan hield. Elke stap in die keten riep de volgende op. Daarmee werd met de privatisering een bureaucratisch systeem gecreëerd dat al snel zwaarder woog dan de staatsbedrijven die het had vervangen.
De oprichting van de Europese Unie in 1992 versterkte deze ontwikkeling. Waar de eerdere Europese samenwerking nog gericht was op economische afstemming tussen soevereine staten, betekende politieke en monetaire integratie een structurele overdracht van bevoegdheden naar Brussel. Besluiten worden sindsdien centraal vastgesteld en zijn bindend voor alle lidstaten. Een ambtenaar in Brussel die toeziet op zevenentwintig verschillende economieën, rechtssystemen en culturen kan onmogelijk beoordelen of lokaal de juiste afweging is gemaakt. Hij kan alleen controleren of de procedure correct is doorlopen.
Sinds de oprichting heeft de EU meer dan 100.000 besluiten afgegeven. Elke nieuw besluit vereist ambtenaren die hem omzetten naar nationale regelgeving, beleidsmedewerkers die administreren en rapporteren en toezichthouders die de naleving bewaken. Op deze schaal is geen ruimte voor professionele oordeelsvorming of maatwerk. Wat overblijft is naleving en handhaving.
De moderne afrekencultuur heeft dit mechanisme bestendigd. Wanneer fouten niet langer worden gezien als een onvermijdelijk deel van de uitvoering maar als persoonlijk falen, wordt risicomijding rationeel gedrag. Het aantal moties van wantrouwen in de Tweede Kamer is in twintig jaar meer dan verdrievoudigd. De ironie is dat de bewindspersoon er steeds vaker ongeschonden afkomt, maar elk incident de bewegingsruimte van diezelfde bewindspersonen verder beperkt. De motie haalt geen meerderheid, de politicus overleeft, maar er komen wel altijd nieuwe regels bij.
Zo voedt het systeem zichzelf. Elke mislukking leidt tot een commissie, elk rapport tot nieuwe regelgeving, elke nieuwe regelgeving tot nieuwe toezichthouders. Toezichthouders die niets vinden hebben geen bestaansrecht, dus vinden ze iets. Beleidsafdelingen die geen beleid produceren zijn overbodig, dus produceren ze beleid. Tussen 2018 en 2024 groeide het aantal rijksambtenaren met 38 procent, ruim 43.000 voltijdbanen erbij, terwijl elk kabinet in die periode is aangetreden met de belofte de overheid te verkleinen. Rutte I werkte met twaalf ministers, Rutte IV met twintig. De overhead bij het rijk schommelt rond de vijftig procent, waarbij de ene helft van de ambtenaren alleen nog de andere helft staat te controleren.
Daarmee is de legitimiteit verschoven van inhoud naar procedure. Niet de uitkomst bepaalt of een besluit juist is, maar of de procedure correct is doorlopen. De macht verschuift zo vanzelf naar degenen die de regels ontwerpen, toepassen en controleren. In essentie is dat een technocratie: een systeem waarin niemand meer oordeelt maar iedereen uitvoert en waarin de regel boven de werkelijkheid staat.
Het huwelijk tussen grootoverheid en grootbedrijf
Tot de millenniumwisseling was het midden- en kleinbedrijf de sterke ruggengraat van de economie. De meerderheid van de beroepsbevolking werkte in het MKB met de nadruk op vakmanschap en afzet in lokale markten. Dertig jaar later is dat beeld ingrijpend veranderd. Minder dan de helft van de beroepsbevolking werkt nog bij het MKB. De rest werkt bij het grootbedrijf of bij grootoverheid.
Ironisch genoeg valt deze verschuiving van MKB naar grootbedrijf en grootoverheid vrijwel samen met de verschuiving van waarde-creatie naar waarde-onttrekking. Het MKB zit voor het grootste deel in de waarde-creërende economie: in bouw, industrie, transport, handel en ambacht. Grootbedrijf en grootoverheid zitten vooral in de waarde-onttrekkende economie: financiële dienstverlening, consultancy, beleid en regelgeving. Uiteraard is er overlap, zijn er grote bedrijven zoals ASML die machines bouwen en zijn er kleine bureaus die uitsluitend adviseren en administreren. Maar de overlap is groot genoeg om te zeggen: wie de lasten draagt van de regelstaat, is over het algemeen ook degene die iets maakt.
De verschuiving van MKB naar grootbedrijf is geen uitkomst van een vrije markt, maar het resultaat van een systeem waarin de twee dominante spelers, grootbedrijf en grootoverheid, elkaar institutioneel hebben gevonden en elkaar sindsdien versterken. Het gevolg is een zeer ongelijk speelveld, waarin kleine en middelgrote ondernemers steeds vaker het onderspit delven.
Dat begint al bij de belastingdruk. Grote bedrijven onderhandelen met de belastingdienst over wat ze mogen afdragen via zogeheten rulings: maatwerk afspraken waarvan de inhoud strikt geheim is, maar het bestaan een publiek geheim. Het MKB heeft die mogelijkheid niet. Daar komen andere constructies bij. ASML bijvoorbeeld betaalt over zijn patentwinsten een fractie van het normale vennootschapsbelastingtarief via de Innovatiebox. Shell verrekent verliezen uit buitenlandse activiteiten met de winsten die in Nederland worden gemaakt en betaalt zo vrijwel geen vennootschapsbelasting. Tata Steel verschuift winsten naar landen met een lager belastingtarief en ontvangt tegelijkertijd overheidssubsidies voor verduurzaming. Drie bedrijven, drie verschillende constructies, allemaal legaal.
Het geld dat het grootbedrijf op de belastingen uitspaart, vloeit zelden terug in de economie (waarde-creatie), maar wordt vaker aangewend om dividend uit te keren of eigen aandelen in te kopen (waarde-onttrekking). Minder uitstaande aandelen betekent een hogere winst per aandeel, wat leidt tot een hogere koers en een hogere beurswaarde. Die hogere beurswaarde verhoogt weer de kredietwaardigheid, waardoor grote bedrijven goedkoper kunnen lenen. MKB-bedrijven betalen daarentegen structureel een hoger rentetarief, zijn voor meer dan tachtig procent afhankelijk van drie grootbanken en hebben geen toegang tot obligatiemarkten of aandelenuitgifte. Die structureel ongelijke toegang tot de kapitaalmarkt vertaalt zich direct in ongelijke financiële slagkracht.
Daar komt bij dat het grootbedrijf de goedkoper verkregen leningen vooral gebruikt om kleinere spelers en nieuwe innovaties op te kopen. Dat doet grootbedrijf niet om de kennis om beter te concurreren en innoveren verder uit te bouwen, maar om het van de markt te halen. De economische groei van het grootbedrijf is daardoor steeds minder het resultaat van waarde-creatie en steeds meer van het handhaven van hun eigen verdienmodel door de concurrentie uit te schakelen. De gevolgen zijn drieledig. Prijzen blijven hoog omdat de druk om goedkoper te worden verdwijnt, innovatie stokt en de markt bevriest omdat betere alternatieven uitblijven. Veel producten en diensten kunnen goedkoper of beter. Maar de concurrentie die dat kan leveren is vaak al eerder opgekocht of uit de markt gedrukt. Het MKB heeft die speelruimte niet. Het concurreert lokaal op prijs en kwaliteit, terwijl de spelregels steeds meer in het voordeel van de grote spelers worden geschreven.
Groot zijn heeft als bijkomend voordeel dat er een impliciet overheidsvangnet ontstaat als het misgaat. Too big to fail betekent in de praktijk dat winsten privaat blijven en aan aandeelhouders worden uitgekeerd, terwijl verliezen door de overheid worden overgenomen en zo op de samenleving worden afgewenteld. Ook overheidssubsidies, bijvoorbeeld om te verduurzamen, komen voor het merendeel terecht bij grote bedrijven, terwijl het MKB dezelfde verduurzaming moet ondergaan, maar dan alleen op eigen kosten.
Waar het grootbedrijf bij grootoverheid aan tafel zit, zit het MKB dat niet. In Brussel lopen 25.000 lobbyisten rond waarvan het overgrote deel afkomstig is uit het grootbedrijf. De Europese regelgeving weerspiegelt die asymmetrie: complex, omvangrijk en het best beheersbaar voor organisaties met de specialisten in huis om de wildgroei aan regels bij te houden. Vervolgens huurt grootoverheid het grootbedrijf weer in om al die complexe regelgeving om te zetten in overheidsbeleid en gaan publieke aanbestedingen vrijwel altijd naar grootbedrijf, omdat alleen zij groot genoeg zijn om aan alle gestelde eisen te voldoen. Het gevolg is dat de overheid haar eigen groei structureel uitbesteedt aan het grootbedrijf en daarvoor betaalt met publiek geld: de waarde-onttrekkende economie financiert zichzelf.
Door deze vervlechting wordt het grootbedrijf net zo log en onbestuurbaar als grootoverheid. Een multinational die groot genoeg is om niet te falen bouwt intern dezelfde structuren als de overheid die hem in stand houdt: uitdijende HR-afdelingen, compliance-teams, duurzaamheidsrapporten, communicatieafdelingen, lobbyisten, interne consultants en strategieafdelingen. De productieve kern wordt omgeven door een steeds dikkere schil van beheer, verantwoording en zelflegitimatie. Dit is geen vrije markt maar corporate socialisme: een systeem van wederzijdse afhankelijkheid waarin winsten privaat blijven, risico’s worden gesocialiseerd en de rekening naar het MKB en de burger gaat.
Waar domheid rendabel wordt
De arbeidsmarkt weerspiegelt de economie: waar de groei zit komen de banen en die groei zat de afgelopen dertig jaar vooral in de waarde-onttrekkende economie. Bovendien liggen de salarissen daar ook structureel hoger dan in de waarde-creërende economie.
Dat is geen toeval. In de waarde-onttrekkende economie ontbreekt de tucht van een echte markt. Grootoverheid hoeft haar budget niet te verdienen: de kosten worden verspreid over alle belastingbetalers en er is geen concurrent die het goedkoper doet. Het grootbedrijf opereert in markten waar schaalgrootte, marktmacht en toegang tot goedkoop kapitaal de winstmarges beschermen tegen echte concurrentiedruk. Beide werelden hebben daardoor de ruimte om functies te creëren die op een vrije markt niet zouden bestaan: compliance-afdelingen, duurzaamheidscoördinatoren, diversiteitsadviseurs, strategieteams, beleidsmedewerkers en communicatiespecialisten. Voor die functies bestaat geen onafhankelijke marktprijs, want de vraag ernaar is grotendeels door henzelf gecreëerd. Grootoverheid en grootbedrijf kijken dus naar elkaar om te bepalen wat zulke functies mogen kosten en stuwen zo elkaars loonschalen op voor werk dat vooral bestaat uit het voeren van overleggen en het produceren van papier.
De moderne hoogopgeleide past hier van nature in. Dertig jaar onderwijsafbraak heeft het onderwijs uitgehold. De basisvaardigheden van lezen, rekenen en spellen dalen al jaren. Wie desondanks doorstroomt naar het hoger onderwijs neemt die achterstand mee en studeert er net zo moeiteloos mee af. Maar de arbeidsmarkt sanctioneert deze achteruitgang niet: moderne hoogopgeleiden vinden niet alleen snel een baan, ze verdienen vaak ook een beter salaris dan de waarde-creërende markt kan bieden.
Dat onze huidige economie geen eisen meer stelt aan output is een veelzeggend signaal. In een waarde-creërende economie is dat niet mogelijk: vakmensen die hun vak niet beheersen, hebben simpelweg geen werk. Maar in de waarde-onttrekkende economie verdwijnt dat signaal: richtlijnen worden gevolgd, overleggen gepleegd, adviezen uitgebracht en rapporten geschreven. Faalt een beslissing of advies, leidt het hooguit tot een extra overleg of een aanscherping van de procedure. De waarde-onttrekkende economie corrigeert zichzelf niet.
Dat gebrek aan correctie werkt ook door in de beeldvorming van de moderne hoogopgeleide. Wie goed betaald wordt in een omgeving waarin iedereen goed betaald wordt, leidt daaruit al snel af dat haar werk meer waard is dan het werk van iemand die minder betaald krijgt. Dat die hogere beloning eerder het gevolg is van het ontbreken van concurrentie dan van echte bekwaamheid, zal zij zelf niet zo snel inzien. Wie meer verdient dan een loodgieter of vrachtwagenchauffeur, concludeert al snel dat ze ook meer weet.
Maar de hogere beloning verklaart de zelfgenoegzaamheid niet volledig. Niet alleen verdient ze meer met haar werk, haar werk draait ook om waarden: duurzaamheid, inclusie, veiligheid, rechtvaardigheid. Wie zich bezighoudt met de juiste onderwerpen hoeft zich niet te verantwoorden voor de resultaten; de intentie volstaat. Daarmee sluit de economische bescherming van de waarde-onttrekkende economie naadloos aan op het morele kader dat het onderwijs haar heeft meegegeven.
Zo sluit de wereld zich om haar heen. Ze werkt met mensen die hetzelfde verdienen en hetzelfde denken, woont in dezelfde wijken en leest dezelfde media. De problemen die ze tegenkomt zijn de problemen van die wereld. De werkelijkheid van de aannemer, de boer of de middenstander bereikt haar als beleidsvraagstuk; iets waarvoor een werkgroep moet worden opgestart, niet iets wat ze zelf ervaart of waar zij de gevolgen voor draagt.
In het volgende artikel ga ik verder met hoe in deze wereld het wensdenken het overneemt van realiteitsbesef en hoe men zich hier overtuigingen kan veroorloven die anderen zich niet kunnen permitteren.
Mijn substack is gratis en dat blijft zo. Maar feiten boven tafel krijgen kost tijd. Vindt u dit werk waardevol, overweeg dan een vrijwillige bijdrage. Dat kan ook via Ideal.
Altijd nieuwsgierig geweest hoe het leven eruit zou zien als we helemaal niet meer zelf mogen nadenken? Koop dan mijn boek!






Ze werkt met mensen die hetzelfde verdienen en hetzelfde denken, woont in dezelfde wijken en leest dezelfde media. Dit is exact de eenzijdigheid die tot domheid leidt.
Prachtige uiteenzetting wederom van de werkelijkheid. 👍chapeau 👊
Veel meer mensen zien dit net zoals de schrijfster het prachtig verwoordt.
Waarom zitten die mensen niet in de politiek?