Hyacinthe Rigaud, Portrait de Louis XIV en costume de sacre (1701), Musée du Louvre, Paris.
L’État c’est moi (ik ben de staat)
Hij werd in 1987 geboren en groeide op in Brabant. Zijn vader was leraar en zijn moeder werkte in de kinderopvang. Hij droomde ervan om topsporter te worden of een restaurant in een warm land te openen, maar koos uiteindelijk voor de studie bestuurskunde, met specialisatie ‘Good Governance.’
Al tijdens zijn studie wordt hij politiek actief voor D66. Hij is onder andere voorzitter van de Jonge Democraten, gemeenteraadslid en later zelfs fractievoorzitter op gemeentelijk niveau. Allemaal nog voor hij is afgestudeerd. Na zijn studie werkt hij eerst ruim vijf jaar voor Prorail: managementtrainee, strategisch adviseur en regiomanager tot hij in 2017 de Tweede Kamer bestormt. Als Kamerlid zit hij aanvankelijk nog in de luwte, maar iedereen leert zijn naam als hij begin 2018 namens D66 de afschaffing van het raadgevend referendum verdedigt; een van de kroonjuwelen van zijn eigen partij.
Daarna gaat het snel. Later in hetzelfde jaar wordt hij de jongste fractievoorzitter ooit als Alexander Pechtold na ophef in de privésfeer vertrekt. Drie jaar later wordt hij de eerste minister voor Klimaat en Energie in het kabinet Rutte IV. Als klimaatminister vliegt hij de hele wereld over, terwijl hij T-shirts laat drukken met de tekst ‘klimaatdrammer’. Ook vormt hij een klimaatfonds van € 35 miljard en presenteert een pakket van 122 maatregelen dat weliswaar € 28 miljard kost, maar waarmee wereldwijd wel een temperatuurverlaging van 0,000036 graden bereikt kan worden. Op papier dan.
Tweeënhalf jaar is hij minister, waarvan een jaar demissionair. Hij volgt Sigrid Kaag op als partijleider en erft ook haar demissionaire vicepremierschap als zij vertrekt naar de VN. Bij de verkiezingen van november 2023 wordt D66 gedecimeerd, maar dat wordt hem niet aangerekend.
Dan komt het grote moment. Schoof-I, het kabinet dat al gedoemd was voor het begon, klapt in juni 2025. Maar deze keer mag het niet fout gaan. D66 komt met de duurste verkiezingscampagne ooit en onze publiekslieveling krijgt veruit de meeste media-aandacht. Hij positioneert zichzelf nadrukkelijk als midden, neemt afstand van zijn klimaatverleden, belooft tien nieuwe steden en wappert met de Nederlandse vlag. Het werkt ook nog. Zijn partij behaalt de meeste stemmen en met 38 jaar hebben wij niet alleen de jongste premier ooit, maar ook nog een openlijk homoseksueel aan het roer. Nederland mag zichzelf op de borst slaan: wij zijn diverser dan ooit.
En dan komt de kater. Geen tien nieuwe steden. Wel een verhoging van de pensioenleeftijd, lastenverzwaringen en versobering van de sociale sector. Klimaat staat weer bovenaan de agenda en met een vrijheidsbijdrage houden we oorlogen in stand waar we met diplomatie wellicht meer zouden bereiken.
De Zonnekoning is gearriveerd in het torentje. Zijn naam is Rob Jetten en hij brengt een hofhouding met zich mee die net zo kundig en ervaren is als hijzelf.
Laten we het er nu eens over hebben hoe we hier zijn beland.
De wet van de goede bedoelingen
Rob Henderson groeide op als pleegkind in Californië. Zijn moeder was verslaafd, zijn vader heeft hij nooit gekend. Hij werd van pleeggezin naar pleeggezin geschoven, worstelde als tiener zelf met middelengebruik en belandde na zijn middelbare school bij de luchtmacht. Na acht jaar actieve dienst kon hij via een financieringsregeling naar de Yale universiteit.
Daar viel hem iets op. Zijn medestudenten hadden sterke meningen over hoe de wereld eruit moest zien. Het traditionele gezin was volgens hen achterhaald, maar zij groeiden niet op in gebroken gezinnen. De racistische politie moest volgens hen ontbonden worden, maar zij ondervonden niet de gevolgen van het oplaaiend geweld. Diversiteit en gendergelijkheid waren volgens hen heilig, maar ze kwamen zelf uit welgestelde buurten waar de diversiteit doorgaans beperkt bleef tot het personeel.
Het waren stuk voor stuk overtuigingen die niet voortkwamen uit ervaring maar uit een rotsvast geloof over hoe de wereld eruit zou moeten zien. Henderson noemde ze luxe overtuigingen: overtuigingen die status verlenen aan wie ze uitspreekt, maar schade toebrengen aan wie de gevolgen draagt.
Ik heb deze definitie in 2024 van hem overgenomen en tevens iets uitgebreid. Mijn definitie van luxe overtuigingen is de volgende:
Luxe overtuigingen zijn ideeën die voortkomen uit goede intenties en nobele motieven, maar die tot vreselijke uitkomsten leiden als ze worden omgezet in beleid.
Ik hang daar vijf karakteristieken aan:
1. De intentie is belangrijker dan feiten: luxe overtuigingen zijn meer gebaseerd op goede intenties, aannames en modelberekeningen dan op solide feiten.
2. Geen last van de gevolgen: mensen die luxe overtuigingen aanhangen hebben zelden last van de negatieve gevolgen wanneer de luxe overtuiging wordt omgezet in beleid.
3. Absolute waarheden: luxe overtuigingen zijn meestal zodanig versimpeld dat elke nuance of alternatieve verklaring wordt weggewuifd en elke kritiek als complottheorie of rechtsextremisme wordt afgedaan.
4. Hoge kosten, slechte resultaten: luxe overtuigingen kosten meestal miljarden zonder dat daar een noemenswaardig resultaat tegenover staat.
5. Westers verschijnsel: luxe overtuigingen verdwijnen als je buiten het Westen komt.
Het probleem met luxe overtuigingen is dat zij veel moeilijker zijn te weerleggen dan feitelijke beweringen. Waar op feiten nog wel overeenstemming verkregen kan worden, zijn luxe overtuigingen geworteld in geloof: als het niet strookt met de innerlijke waarheid, wordt elk argument, hoe feitelijk ook, verworpen. Het debat vernauwt naar ideologische posities en een strijd tussen goed en kwaad, terwijl er ondertussen niets meer kan worden opgelost. De kern van het probleem is dat mensen die oprecht denken dat ze correct handelen, blind raken voor de gevolgen van hun daden. Zij zien de realiteit niet onder ogen maar geloven liever in een geïdealiseerde versie van hoe de realiteit eruit zou moeten zien. De realiteit moet zich aan hen aanpassen en niet andersom.
Klinkt bekend? Dan nu de praktijk.
1. Diversiteit is onze kracht
Waar sprake is van discriminatie voor de wet, zijn emancipatie en gelijke behandeling voor de wet niet alleen functioneel, maar essentieel. Nog niet zo heel lang geleden werden vrouwen als handelingsonbekwaam beschouwd: ze mochten niet stemmen, niet zelfstandig ondernemen en werden ontslagen zodra zij wilden trouwen. Tussen 1919 en 1994 is dit stap voor stap rechtgezet. Vrouwen kregen kiesrecht, hun handelingsonbekwaamheid en ontslag bij huwelijk werden geschrapt, ze kregen wettelijk gelijke behandeling bij arbeid en een grondwettelijk discriminatieverbod dat uiteindelijk via de Algemene wet gelijke behandeling naar burgers en bedrijven werd uitgebreid. Tot hier is de premisse simpel: discriminatie is verboden, je krijgt dezelfde kans, maar wat jij met die kans doet is geheel aan jou.
En het werkte. Tot halverwege de jaren tachtig werkte nog geen derde van de vrouwen en had slechts 10% een hogere opleiding. Daarna begon de inhaalslag. Eind jaren negentig stroomden al meer vrouwen dan mannen door naar het hoger onderwijs. Vandaag de dag zijn vrouwen op de universiteit in de meerderheid en is de arbeidsparticipatie van 30% naar 70% gestegen.
Maar er gebeurde ook iets opmerkelijks. Vrijwel direct nadat vrouwen zich massaal op de arbeidsmarkt begaven, verschoof het debat van arbeidsparticipatie naar loonkloven en glazen plafonds. Vrouwen verdienden structureel minder en waren ondervertegenwoordigd in hogere functies. Dat verhaal was van meet af aan onvolledig: men wijst naar het gemiddelde salaris van mannen om de loonkloof met vrouwen aan te tonen zonder onderscheid te maken naar deeltijd, sectoren, werkervaring en loopbaanonderbrekingen. Hetzelfde gold voor het glazen plafond: vrouwen stroomden minder door dan mannen, zonder te vragen waarom dat was. De ondervertegenwoordiging werd geduid als structurele ongelijkheid en het lapmiddel werd positieve discriminatie: niet langer gelijke behandeling ongeacht wie je bent, maar ongelijke behandeling juist vanwege wie je bent. Gelijke uitkomsten werd de nieuwe norm.
Met de Algemene wet gelijke behandeling van 1994 deed positieve discriminatie al haar intrede: bij gelijke geschiktheid mag de voorkeur uitgaan naar een vrouw. Toen dat te weinig zoden aan de grond zette, kwam er onder het mom van ‘pas toe of leg uit’ in 2013 een wettelijk streefcijfer van 30% voor vrouwen in het bestuur en commissariaten van grote bedrijven. Toen dat niet snel genoeg ging, werden vrouwelijke benoemingen wettelijk afdwingbaar. Sinds 2022 is met de Wet ingroeiquotum een derde vrouwen in commissariaten verplicht en kan elke benoeming die daar niet aan bijdraagt nietig worden verklaard.
Ironisch genoeg, steeg het aandeel vrouwen in bestuursfuncties voor die tijd ook al. Meer vrouwen aan het werk betekent mettertijd dat ook meer vrouwen naar hogere functies doorbreken. Die tendens was al gaande. De crux met positieve discriminatie is dat er geselecteerd gaat worden op identiteit en geslacht met een voorspelbaar resultaat: vrouwen komen op posities terecht waarvoor ze de feitelijke ervaring (nog) niet hebben, in een tempo dat een inhaalslag niet toelaat. Hoe dat er in de praktijk uitziet, laat zich het beste illustreren aan de hand van een carrière.
In 2016 wordt Elanor Boekholt-O’Sullivan de nieuwe commandant op Vliegbasis Eindhoven. Zij is de eerste vrouw en de tweede niet-vlieger op deze post. Haar benoeming valt samen met een wervingscampagne om meer vrouwen bij Defensie te krijgen. Haar operationele ervaring is beperkt. In de twee jaar dat ze op de vliegbasis werkzaam is, wordt ze geconfronteerd met meerdere misstanden die zij niet oplost, maar doorschuift. Naar buiten toe presenteert ze zich als daadkrachtig en transparant, intern worden de problemen weggemanaged. Halverwege 2018 wordt ze Commandant van het Cybercommando. Op de vliegbasis wordt ze opgevolgd door haar echtgenoot, die voor haar de scherven onder het vloerkleed mag vegen.1
Ook bij het Cybercommando blijft Boekholt-O’Sullivan slechts twee jaar. Het Defensie Cyber Commando was vier jaar daarvoor opgericht om cyberoperaties uit te voeren. Het Cybercommando is bij haar aantreden nog niet operationeel en dat wordt het onder haar leiding ook niet. Het fungeert meer als uitzendorganisatie waarin cyberspecialisten worden uitgeleend aan inlichtingendiensten en andere afdelingen van de krijgsmacht. Het zal haar laatste functie met operationele verantwoordelijkheid worden.
In oktober 2020 wordt Boekholt-O’Sullivan Plaatsvervangend Commandant Koninklijke Nederlandse Luchtmacht (generaal-majoor), waar ze de staf en de negen domeinmanagers aanstuurt. Nog geen twee jaar later promoveert zij naar de functie Plaatsvervangend Directeur-Generaal Beleid voor Defensie (luitenant-generaal). Wederom is zij de eerste vrouw. Ze wordt verantwoordelijk voor het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, dat moet uitzoeken waar de groeiende krijgsmacht gevestigd moet worden, en het diversiteitsbeleid voor Defensie. In de vier jaar dat zij als plaatsvervangend DG in Den Haag werkt worden locatie-alternatieven onderzocht en zienswijzen en Kamervragen beantwoord. Haar grootste wapenfeiten liggen meer op het diversiteitsbeleid: scherfvesten voor vrouwen, een jurk als optie bij het uniform en programma’s rond genderbewustwording.
Ondertussen rolt Boekholt-O’Sullivan van de ene naar de andere onderscheiding. In 2023 wordt ze Topvrouw van het Jaar, vanwege haar buitengewoon moreel besef en omdat ze het woord ‘kwetsbaar’ aan de selectiecriteria voor Topvrouwen had toegevoegd. In mei 2025 mag ze de Francien de Zeeuw-penning in ontvangst nemen als erkenning voor haar creativiteit om de krijgsmacht diverser en inclusiever te maken en in maart 2026 valt ook de Aletta Jacobsprijs haar ten deel vanwege haar spreekvaardigheid en de humor waarmee ze de vrouwonvriendelijke kanten van Defensie bespreekbaar maakt.
In februari 2026 wordt Boekholt-O’Sullivan gevraagd om minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te worden voor het kabinet-Jetten. Ze heeft geen ervaring als politiek bestuurder, noch met volkshuisvesting. Als Kajsa Ollongren haar voordraagt is ze niet eens lid van D66. Maar haar procedurele ervaring om meer ruimte te zoeken voor Defensie-kazernes was blijkbaar voldoende om haar verantwoordelijk te maken om een van de grootste crises in Nederland op te lossen.
De carrière van Boekholt-O’Sullivan illustreert niet zozeer persoonlijk falen als wel een systeem dat dit mogelijk maakt. De luxe overtuiging hier is dat diversiteit per definitie tot betere resultaten leidt. Dat vrouw-zijn, of in het verlengde daarvan een andere etniciteit of seksuele voorkeur hebben, gelijk staat aan kennis en ervaring. In een waarde-creërende economie is dit niet houdbaar: een kapper kan geen vrouw aannemen die niet kan knippen en een homoseksuele aannemer die twee bouwprojecten verprutst, krijgt geen derde. Luxe-overtuigingen kunnen daarom alleen standhouden in een waarde-onttrekkende economie, waar de feedback tussen prestatie en gevolgen is verbroken en waarden belangrijker zijn dan resultaten.
2. De economie groeit
Hoe lang horen we al niet dat de economie elk jaar groeit, dat Nederland een van de rijkste landen ter wereld is, dat we er met z’n allen weer op vooruit gaan en dat Nederland een van de laagste schulden in Europa heeft? En dan kijken we in onze eigen portemonnee en moeten we constateren dat de lasten wederom zijn gestegen en we weer minder overhouden, dat bij veel mkb’ers het water aan de lippen staat en vele verdwijnen en wordt er steeds verder bezuinigd op sociale diensten. Hoe kan het dat als we zo rijk zijn, we geen geld hebben voor de zaken die ertoe doen?
Het antwoord ligt in de berekening van het bruto binnenlands product (BBP).
Wereldwijd is het BBP de maatstaf om de gezondheid van een economie te meten. Stijgt het BBP, dan is de economie gegroeid en daalt het BBP twee kwartalen op rij, dan zitten we in een recessie. In Nederland is het BBP sinds de millenniumwisseling meer dan verdubbeld, van € 406 miljard in 2000 naar € 1.058 miljard in 2025. Op het eerste gezicht een indrukwekkend succesverhaal. Op het tweede gezicht een zorgelijke ontwikkeling.
Want het BBP meet uitsluitend economische activiteit en maakt daarin geen onderscheid tussen waarde-creatie en waarde-onttrekking. Een fabriek telt mee als economische activiteit, maar de overheid ook, en banken, en verzekeraars, en alle consultancy en compliance diensten ook. Die laatsten creëren geen nieuwe waarde, maar ze tellen wel mee als economische groei. Het enkele feit dat het BBP stijgt zegt dus niet zoveel. Het gaat erom waar die stijging vandaan komt.
Delen we het BBP in naar waarde-creërend versus waarde-onttrekkend, dan ontstaat er al een heel ander beeld:
Dan blijkt dat in de afgelopen 25 jaar vooral de waarde-onttrekkende economie sterk is gegroeid en reeds in 2005 de waarde-creërende economie voorbij is gestreefd. Kijken we naar de sterkste groeiers, dan zitten die bij de overheid, zorg en zakelijke diensten zoals consultancy. De waarde-creërende economie is ook gegroeid, maar legt het af tegen de waarde-onttrekkende economie en dat voelen we in onze portemonnee.
Volgens de berekeningen van het CBS is de Nederlandse economie in 2025 reëel 1,8% gegroeid. De grootste aanjager van deze economische groei is de overheid die elk jaar meer uitgeeft, gevolgd door onze huishoudens die steeds meer geld moeten uitgeven om te wonen en te leven. Kijken we naar bedrijvigheid, dan zien we een heel ander verhaal: bedrijven investeren elk jaar minder, driekwart van de ondernemers meldt een toenemende onzekerheid en de Nederlandse export groeit langzamer dan de wereldhandel doordat onze loon- en energiekosten te hoog zijn geworden om nog te concurreren. Ook stoppen steeds meer bedrijven of vertrekken naar het buitenland. De waarde-creërende economie stagneert en de waarde-onttrekkende economie groeit met name door stijgende overheidsuitgaven. Maar in Den Haag stijgt het BBP en wie alleen naar het BBP kijkt, ziet geen probleem.
Kapotte thermometers
Volgens het CBS schommelt de belastingdruk al decennialang tussen de 40% en 43%. Maar in al die jaren heeft de overheid de lasten vrijwel jaarlijks verzwaard. De BTW is meerdere keren verhoogd, de accijnzen zijn gestegen, de gemeentelijke belastingen stijgen nog harder dan de WOZ-waarde en we betalen de hoogste energiebelasting van Europa. Onze portemonnee voelt elk jaar leger en de rijen voor de voedselbank worden steeds langer, maar toch blijft dat percentage rond de 40% hangen. Hoe kan dat dan?
Het antwoord is opnieuw het BBP. De belastingdruk wordt berekend door alle belastingen en premies te delen door het BBP. U betaalt belasting en van die belastingen betaalt de overheid haar ambtenaren, haar gebouwen, de zorg en het onderwijs. Al die uitgaven tellen mee als economische activiteit in het BBP en maken inmiddels ruim 24% van het totaal uit. Het mechanisme werkt als volgt: u betaalt meer belasting, de overheid geeft meer uit, het BBP stijgt en op papier blijft de belastingdruk hetzelfde. Corrigeren we voor het feit dat we het hier hebben over uitgaven van belastinggeld en niet over economische groei, dan stijgt de belastingdruk direct van 48% naar 63%.2 En die stijgt verder naarmate we meer waarde-onttrekkende activiteiten uit het BBP halen.
Hetzelfde zien we terug bij de staatsschuld. Nederland heeft eind 2025 € 523,5 miljard overheidsschuld. Die is in 2025 met € 32,5 miljard gestegen en is € 67,5 miljard hoger dan de recordschuld van € 456 miljard in 2014, waarna jarenlang harde bezuinigingen en lastenverzwaringen volgden. Maar het getal waar iedereen naar kijkt is de schuldquote. Die wordt op dezelfde manier als de belastingdruk berekend door de totale schuld door het BBP te delen. Hoe groter overheid, onderwijs en zorg worden als aandeel van het BBP, hoe gezonder de cijfers eruitzien terwijl de werkelijke schuld gewoon blijft stijgen. De schuldquote daalt op papier, niet in de werkelijkheid.
Het mechanisme is een cirkel. De overheid groeit, het BBP groeit mee, de belastingdruk als percentage blijft stabiel en de schuldquote daalt. Op papier ziet alles er goed uit. In werkelijkheid liggen zowel de belastingdruk als de schuldenlast veel hoger dan de officiële cijfers doen vermoeden. Via indirecte belastingen als BTW, accijnzen en energieheffingen voelen we dat elke dag in onze portemonnee. En ook het feit dat we steeds langer moeten doorwerken en de sociale voorzieningen steeds verder worden uitgekleed, is een duidelijke indicatie dat onze overheid helemaal niet zo gezond is als ze lijkt.
Corrigeren we voor de werkelijke verhoudingen, dan is Nederland niet het braafste jongetje van de klas maar een economie die veel kwetsbaarder is dan de cijfers doen vermoeden. En kwetsbare economieën overleven geen crises, zeker niet als bij de vorigen al het vet van de botten is gehaald.
Waarom luxe overtuigingen in stand kunnen blijven
Net zoals geen oorlogsplan het contact met de vijand overleeft, overleeft geen luxe overtuiging het contact met de werkelijkheid. En daar zit precies het probleem. Het onderwijs levert jongeren af met de morele zekerheid zonder dat ze die hebben getoetst aan de werkelijkheid. De waarde-onttrekkende economie beschermt hen vervolgens tegen de gevolgen. Zo blijven luxe overtuigingen niet alleen in stand, maar verharden tot dogma’s in een omgeving die ze in alles bevestigt.
Maar er is ook nog een derde laag: het handhavingsmechanisme. Wie kritisch is op de consensus, wordt niet weersproken maar weggezet. Heb je kritiek op de effectiviteit van het diversiteitsbeleid, dan discrimineer je. Wijk je af van de jubelverhalen van het CBS, dan ben je selectief met cijfers.
Wat publiekelijk bespreekbaar is wordt niet langer bepaald door feiten, maar door moraal. Deugen is belangrijker dan gelijk hebben en identiteit belangrijker dan kennis en kunde. Zo lang we nog de welvaart hebben om deze luxe overtuigingen te financieren, zal er niet snel iets veranderen. Maar wat als de waarde-creërende economie de lasten niet langer trekt? Als de boer wordt uitgekocht, de mkb’er ermee stopt, de zzp’er de lasten niet meer kan dragen en de maakindustrie vertrekt. De waarde-onttrekkende economie kan alleen bestaan zolang er iemand is die de belastingen opbrengt om haar te financieren en die basis krimpt elk jaar. En dan wat?
In dit artikel heb ik twee luxe overtuigingen uitgewerkt, maar uiteraard zijn er meer. Als er behoefte is aan een extra artikel waarin ik er nog een aantal behandel, laat het mij weten in de commentaren. Het volgende artikel wordt het sluitstuk van de serie. Dan gaan we onderzoeken waarom dit systeem alleen catastrofaal kan eindigen.
Mijn substack is gratis en dat blijft zo. Maar feiten boven tafel krijgen kost tijd. Vindt u dit werk waardevol, overweeg dan een vrijwillige bijdrage. Dat kan ook via Ideal.
Niet gebaseerd op films en series, wel op een extrapolatie van het BIJ1 verkiezingsprogramma van 2021!
Dieuwertje Kuipers van DiewsNieuws heeft er onlangs een prachtig artikel over gepubliceerd, dat u hier vindt.
Nb. hier stonden aanvankelijk de percentages 43% en 55%. Dit was nog de berekening van de belastingdruk over het jaar 2024. Ik vond op het laatste moment de actuele cijfers over 2025, maar was vergeten de belastingdrukpercentages aan te passen. Een oplettende lezer attendeerde mij daarop.







Super deze analyse! Verplicht leesvoer voor de boven ons gestelden lijkt mij. Maar pluche zit té lekker. Tijd voor een reset, maar wie o wie pakt dit op?
Voortreffelijke analyse (alweer)! Wat mij betreft: graag nadere uitwerking/ filering van meer luxe overtuigingen