Thomas Couture, Les Romains de la décadence (decadente Romeinen) 1847, Musée d’Orsay, Parijs
Afgelopen weekend zijn de Verenigde Staten Venezuela binnengevallen en hebben zij de zittende president met geweld afgevoerd om hem in de VS te berechten voor narco-terrorisme en drugshandel. Het betrof een militaire operatie tegen een soeverein land, uitgevoerd zonder VN-mandaat en in strijd met meerdere fundamentele beginselen van het internationaal recht.
De publieke verantwoording van deze actie ging die juridische schendingen zorgvuldig uit de weg. Er werd geen poging gedaan om het optreden binnen een bestaand rechtskader te plaatsen. In plaats daarvan werd de operatie gepresenteerd als eerlijk en rechtvaardig: een noodzakelijke ingreep om een dictator ter verantwoording te roepen waar het recht tekort zou schieten. President Donald Trump ging nog een stapje verder en verklaarde openlijk dat de Verenigde Staten voortaan de zeggenschap hadden over Venezuela en zijn grondstoffen, inclusief de omvangrijke olievoorraden.
Slechts enkele weken daarvoor koos de Europese Unie een vergelijkbare benadering, zij het via financiële in plaats van militaire middelen. De EU onderzocht hoe Russische staatsreserves die bij Euroclear zijn ondergebracht, konden worden onteigend en als ‘herstelbetalingen’ aan Oekraïne konden worden doorgesluisd. Het gaat om circa 210 miljard euro aan tegoeden van de Russische centrale bank, die in 2022 na de Russische inval in Oekraïne zijn bevroren.
Deze tegoeden genieten expliciete bescherming onder zowel nationale als internationale verdragen. Het huidige aanwenden van de rente-inkomsten bevindt zich al op de rand van wat juridisch verdedigbaar is. Het confisqueren van het kapitaal zelf zou die grens onmiskenbaar overschrijden.
Ook hier was de rechtvaardiging niet juridisch, maar moreel. Omdat de EU Rusland beschouwt als initiator en agressor van de oorlog tegen Oekraïne, zou het inzetten van Russische staatsmiddelen om oorlogsschade te vergoeden eerlijk en rechtvaardig zijn: een moreel juiste handeling bij gebrek aan een wettelijke grondslag.
In beide gevallen gebruiken westerse mogendheden morele taal om te rechtvaardigen waarom zij internationale regels mogen schenden die voor de rest van de wereld onverkort gelden. Dat is problematisch, omdat juist het Westen deze regels na de Tweede Wereldoorlog zelf heeft ontworpen. Niet als vrijblijvende afspraken, maar om machtsmisbruik te beperken, soevereiniteit van landen te beschermen en precies dit type geopolitieke agressie te voorkomen.
Door te spreken over eerlijk en rechtvaardig in plaats van juridische argumenten aan te voeren, doen westerse landen meer dan alleen hun eigen regels overtreden. Zij hollen het kader uit dat autoriteit onderscheidt van machtspolitiek. Wanneer de architecten van de naoorlogse internationale orde hun eigen beperkingen openlijk loslaten en dat rechtvaardigen met een beroep op morele superioriteit, maken zij duidelijk dat internationale afspraken voorwaardelijk zijn, internationaal recht optioneel is en militaire macht opnieuw bepaalt wie de lakens uitdeelt. Daarmee luiden zij het einde in van de westerse beschaving zoals die sinds de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan.
De oorspronkelijke betekenis van eerlijk en rechtvaardig
De uitdrukking eerlijk en rechtvaardig is niet ontstaan als moreel excuus voor onrechtmatig handelen. Beide begrippen beschrijven uitkomsten die slechts onder strikt gedefinieerde voorwaarden kunnen bestaan.
Rechtvaardigheid is niet los te zien van het recht. Het is geen gevoel noch een intentie, maar het resultaat van de correcte toepassing van een rechtskader. Een dergelijk kader veronderstelt jurisdictie en vastgelegde procedures. Het vereist bovendien proportionaliteit tussen actie en reactie, evenals verantwoording door de autoriteit die rechtvaardigheid eist. Of een handeling of uitkomst rechtvaardig is, kan niet op voorhand worden geclaimd. Dat kan pas worden vastgesteld na toepassing van het rechtskader. Simpel gezegd: zonder recht geen rechtvaardigheid.
Eerlijkheid ziet niet op de uitkomst, maar op het proces dat daartoe leidt. Een handeling is alleen eerlijk wanneer de regels vooraf bekend zijn en voor alle betrokkenen gelijk worden toegepast. Die regels mogen tijdens het proces niet worden aangepast. Eerlijkheid biedt daarmee geen garantie op een gunstige uitkomst, maar zegt uitsluitend iets over de onpartijdigheid en gelijkwaardigheid van de gevolgde procedure.
Samen duiden eerlijk en rechtvaardig dus geen intenties of morele superioriteit aan. De term functioneert juist als een begrenzer van macht, door betrokken partijen te onderwerpen aan een gedeeld en voorspelbaar normenkader. Een uitkomst kan alleen eerlijk en rechtvaardig worden genoemd wanneer deze voortvloeit uit vooraf vastgestelde regels, gelijk wordt toegepast en bindend is voor alle partijen waarop zij betrekking heeft.
Daaruit volgt een cruciale voorwaarde: aanvaarding van de uitkomst. Een systeem kan slechts eerlijk of rechtvaardig heten wanneer de resultaten ook worden geaccepteerd als zij ongunstig uitvallen. Dat regels een land beletten zijn gewenste doel te bereiken, is dus geen onrecht. Het is het bewijs dat het systeem functioneert zoals bedoeld.
Hoewel machtige landen deze regels in de praktijk regelmatig hebben geschonden, bood het bestaan van een gedeeld juridisch kader lange tijd voldoende begrenzing om escalatie en grootschalige conflicten te voorkomen. Het verschil met vandaag is niet dat internationale regels worden overtreden, maar dat hun bindende werking openlijk wordt ontkend en vervangen door morele claims.
Vanuit dit perspectief was eerlijk en rechtvaardig nooit bedoeld als onderbouwing van morele superioriteit, maar als instrument van zelfbeheersing: een manier om macht om te vormen tot legitiem gezag door de uitoefening ervan toetsbaar en verantwoord te maken.
Dat is het fundament waarop de internationale orde decennialang heeft gefunctioneerd. Tot afgelopen weekend.
Van onrechtmatig naar ‘eerlijk en rechtvaardig’
Het moment waarop de geopolitieke betekenis van eerlijk en rechtvaardig begon te verschuiven, is het NAVO-bombardement op Kosovo in 1999, tijdens de oorlog in Joegoslavië. Zonder mandaat van de Verenigde Naties voerde het bondgenootschap een grootschalige militaire campagne uit, waarbij aanzienlijke burgerslachtoffers vielen. Na afloop erkende de NAVO dat de interventie in strijd was met het internationaal recht, maar stelde zij tegelijkertijd dat het optreden legitiem was.
Die combinatie was veelzeggend. Door het optreden expliciet als onrechtmatig te kwalificeren, bleef het internationaal recht formeel het geldende toetsingskader. Tegelijkertijd bood het begrip legitimiteit, in combinatie met een beroep op noodzakelijkheid, een uitweg om de juridische schending niet daadwerkelijk te hoeven verantwoorden. Het recht bleef het referentiepunt, maar verloor zijn doorslaggevende betekenis. Noodzaak en rechtvaardiging achteraf namen die plaats in.
Wat begon als uitzondering, werd al snel praktijk. In Afghanistan werd militair ingrijpen na 2001 niet alleen gelegitimeerd als zelfverdediging, maar ook gepresenteerd als een noodzakelijke en rechtvaardige interventie ter bescherming van burgers en herstel van de orde. Toen bij de inval in Irak in 2003 bleek dat de vermeende aanwezigheid van massavernietigingswapens niet kon worden aangetoond en daarmee de juridische grondslag voor de militaire operatie wegviel, verschoof de rechtvaardiging. Het optreden werd niet langer verdedigd op juridische gronden, maar op morele: het afzetten van een tiran en het voorkomen van toekomstig leed. Zo werd voortgezet militair optreden alsnog moreel gelegitimeerd, ondanks het ontbreken van een rechtsbasis.
In 2011 werd zichtbaar dat hiermee een nieuwe interpretatie van het internationaal recht was ontstaan. In Libië werd een beperkt VN-mandaat ter bescherming van burgers opgerekt tot het afzetten van het zittende regime, terwijl de operatie bleef worden gepresenteerd als eerlijk, rechtvaardig en noodzakelijk. Op dat moment verwezen deze begrippen niet langer naar naleving van een rechtskader, maar naar de mate waarin dat kader kon worden opgerekt, hergeïnterpreteerd en waar nodig overschreden.
Vanaf 2015 speelde het juridisch kader nog slechts een ondergeschikte rol. In Syrië voerden westerse landen herhaaldelijk militaire operaties uit zonder een expliciet VN-mandaat, waarbij het optreden achteraf werd gerechtvaardigd met verwijzingen naar noodzaak en zelfverdediging. In Jemen duurde westerse militaire en politieke steun aan een verwoestende oorlog voort, ondanks structurele en goed gedocumenteerde schendingen van het oorlogsrecht. Ook hier ontbrak een VN-mandaat dat het optreden van westerse mogendheden rechtvaardigde.
De rechtsorde werd vervangen door informele coalities, politieke verklaringen en morele claims. Rechtvaardigheid werd het sleutelbegrip om militair optreden te legitimeren, terwijl eerlijkheid werd gebruikt om de wijze waarop dat optreden werd uitgevoerd acceptabel te maken. Beide termen ontleenden hun betekenis niet langer aan een juridisch kader, maar dienden om het ontbreken daarvan te verhullen. In wezen was het internationaal recht al buitenspel gezet, zij het nog niet openlijk terzijde geschoven.
Met de aanval op Venezuela hebben de Verenigde Staten duidelijk gemaakt dat de internationale rechtsorde voor hen geen betekenis meer heeft. Na afloop werd geen enkele poging gedaan om het optreden binnen een juridisch kader te plaatsen. Het gebruik van militair geweld buiten het eigen grondgebied, het afzetten van een zittend staatshoofd en het opeisen van nationale bezittingen werden niet juridisch onderbouwd, maar moreel gelegitimeerd. Het optreden werd gepresenteerd als eerlijk en rechtvaardig, in de eerste plaats voor de Verenigde Staten zelf.
Pas in tweede instantie werd het handelen voorgesteld als een daad in het belang van de Venezolaanse bevolking, die door het afzetten van een dictator haar vrijheid zou hebben herwonnen. In werkelijkheid is het land onder beslissende invloed komen te staan van een buitenlandse mogendheid, die zich bovendien de nationale olievoorraden heeft toegeëigend.
Langs financiële weg is de Europese Unie op hetzelfde punt uitgekomen. In de discussie over het confisqueren van Russische staatstegoeden erkende de EU zelf dat het bestaande juridische kader daarvoor geen sluitende basis biedt. Die constatering leidde niet tot terughoudendheid, maar tot een poging om het recht te omzeilen. Omdat Rusland wordt aangemerkt als initiator en agressor in de oorlog tegen Oekraïne, werd onteigening gepresenteerd als eerlijk en rechtvaardig. Daarmee werd een moreel oordeel expliciet in de plaats gesteld van een juridische grondslag.
Daarmee zijn eerlijk en rechtvaardig definitief losgekoppeld van het recht en ingezet als vervangende legitimering van macht, die door westerse staten kan worden ingeroepen wanneer juridische grondslagen ontbreken. Wie deze praktijk ter discussie stelt, wordt direct moreel verdacht gemaakt: kritiek geldt al snel als verdediging van onrecht of als steun aan kwaadaardige regimes. Zo wordt een rationeel, op rechtsregels gebaseerd debat bij voorbaat onmogelijk gemaakt. Wat resteert, is macht zonder zelfbeheersing: precies de situatie die het internationale recht na de Tweede Wereldoorlog moest voorkomen.
Het einde van de westerse beschaving
Vertrouwen komt te voet en vertrekt te paard. In de westerse wereld wordt een militaire operatie zoals die in Venezuela vooral bejubeld als daadkrachtig of zelfs lovenswaardig: een tiran is verwijderd, de orde is hersteld en er is recht gedaan aan alle betrokkenen. Buiten deze echokamer worden dezelfde gebeurtenissen echter heel anders geïnterpreteerd.
Wat de rest van de wereld ziet, is geen moreel leiderschap, maar een verdeeld Westen in verval, dat openlijk de regels schendt die het zelf ooit als universeel heeft opgelegd.
Zij zien hoe morele taal wordt ingezet om machtsmisbruik te heiligen. Zij zien hoe het Westen uitzonderingen voor zichzelf maakt, waarvoor anderen worden veroordeeld. Daarbij functioneren eerlijk en rechtvaardig niet langer als begrenzing, maar als pikorde, met het Westen bovenaan.
De mondiale reactie op deze ontwikkeling is al zichtbaar en vooral pragmatisch. Steeds meer niet-westerse landen beschouwen het Westen niet langer als stabiele of betrouwbare partner. Openlijk blijven zij het Westen vooralsnog steunen, maar achter de schermen wordt de afhankelijkheid van westerse instituties zo snel mogelijk afgebouwd en worden nieuwe samenwerkingspartners gezocht.
Het BRICS-samenwerkingsverband vormt hiervan het duidelijkste voorbeeld. In het afgelopen decennium hebben steeds meer landen zich bij BRICS aangesloten en hun onderlinge handelsrelaties versterkt. Parallel daaraan worden financiële en betalingssystemen ontwikkeld om de afhankelijkheid van westerse instituties en de petrodollar te verminderen. De sancties en militaire interventies waarmee het Westen individuele landen heeft geprobeerd te isoleren, hebben deze ontwikkelingen juist versneld. De reden is vooral realisme: wanneer het Westen de toegang tot markten, kapitaal en defensie eenzijdig kan intrekken, wordt afhankelijkheid van datzelfde Westen een strategisch risico.
Door op deze manier met zijn omgeving om te gaan, verliest het Westen geleidelijk zowel zijn afzetmarkten als zijn toegang tot essentiële grondstoffen. Die verschuiving vindt plaats op een moment dat westerse economieën al worden gekenmerkt door hoge schulden, een grote irreële economie en verregaande bureaucratisering. Tegelijk is het Westen structureel afhankelijk van grondstoffen die buiten zijn eigen domein liggen. Onder dergelijke omstandigheden zijn toegang, samenwerking en vertrouwen geen overbodige luxe, maar strategische randvoorwaarden.
In plaats van deze kwetsbaarheden te beperken, verdiept het huidige beleid ze verder. Door naleving af te dwingen via sancties en het toe-eigenen van geld en grondstoffen op geen andere basis dan morele superioriteit, heeft het Westen laten zien dat afspraken, eigendom en zelfs soevereiniteit voorwaardelijk zijn.
De reactie van de rest van de wereld zal daarom niet militair zijn, maar economisch en institutioneel. Naarmate het vertrouwen verder afneemt, zullen niet-westerse landen zich steeds verder van het Westen afkeren. Nieuwe handelsrelaties worden opgebouwd, financiële reserves buiten westerse instellingen ondergebracht en de afhankelijkheid van westerse instituties verder afgebouwd.
Het Westen raakt daardoor steeds verder geïsoleerd, met directe gevolgen voor de eigen welvaart. Een systeem dat afhankelijk is van externe grondstoffen, globalisering en een constante kapitaalinstroom kan niet blijven functioneren wanneer die toevoer wordt beperkt. Decennialang hebben westerse landen hun levensstandaard in stand gehouden met schuld in plaats van productiviteitsgroei. Naarmate vertrouwen verdwijnt en isolatie toeneemt, wordt die schuld onhoudbaar.
Wat volgt is geen plotselinge ineenstorting, maar een gestage toename van kosten totdat alle opgebouwde welvaart is uitgeput en landen hun schulden niet langer kunnen dragen. Militair overwicht kan dat proces tijdelijk vertragen, maar zeker niet keren. En daarmee komt een einde aan de westerse beschaving zoals zij sinds de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan.
De toekomst die u vreest, is al werkelijkheid.
Doorzie het script voordat het over uw leven beschikt.





Dank voor je mooie artikel. Feilloos terug te leggen naar hoe politiek bedreven wordt in alle categorieën, landelijk, Europees, wereld...
De verkooptechnieken van moreel juist, veiligheid, anti criminaliteit, noem ze maar worden steeds breder ingezet!
Denk even terug aan Corona, discriminatie was plotseling toegestaan. Big Brother die met cameras op elke straathoek alles ziet, registreert en de data tot in de eeuwigheid mag bewaren. Digitale betaalmiddelen die er doorheen gedrukt worden....
Het westen in verval, wie de internationale politiek volgt kan niet anders dan tot die conclusie komen denk ik. Dank voor dit artikel.