Pieter Bruegel de Oude – De triomf van de dood (ca. 1562), Museo del Prado, Madrid.
Afgelopen weekend voerden de Verenigde Staten samen met Israël een preventieve aanval uit op Iran. De operatie Epic Fury volgde op maanden van oplopende spanningen en een zichtbare militaire opbouw in de regio. Voor deze aanval is geen mandaat van de VN Veiligheidsraad verkregen, noch toestemming van het eigen Congres. Ook is er geen bewijs dat Iran op dat moment een onmiddellijke dreiging voor de VS of Israël vormde. Iran heeft vervolgens gereageerd met aanvallen op Amerikaanse militaire doelen in de regio en een effectieve blokkade in de Straat van Hormuz opgeworpen, met de dreiging dat elk schip dat de doorgang probeert te gebruiken zal worden aangevallen.
Die aanval kwam niet uit het niets. Sinds het begin van Trumps tweede termijn hebben de VS opnieuw een expliciete maximum pressure-strategie tegen Iran gevoerd. De Amerikaanse minister van Financiën heeft openlijk verklaard dat de sancties bedoeld waren om de Iraanse economie hard te raken. De zware beperking van de olie-export, gecombineerd met financiële sancties heeft de rial doen kelderen en de economie in hyperinflatie gestort, met een dramatisch koopkrachtverlies voor de Iraanse bevolking tot gevolg.
In die economische situatie braken in meerdere Iraanse steden protesten uit. De directe aanleiding was de explosie van prijzen en het instorten van de koopkracht, maar de demonstraties kregen al snel een bredere politieke lading, met leuzen tegen het regime en oproepen tot het aftreden van de ayatollah en het einde van de islamitische republiek. De protesten werden met extreem geweld neergeslagen, waarbij duizenden doden zijn gevallen. Tijdens deze onrust arresteerden de Iraanse autoriteiten ook meerdere buitenlandse personen en uitten zij beschuldigingen van buitenlandse inmenging. Over de aard en omvang van buitenlandse betrokkenheid is verder weinig informatie beschikbaar, maar de arrestaties zelf zijn wel gerapporteerd.
Op het moment van de aanval waren de VS en Iran nog in onderhandeling over verdere beperkingen van uraniumverrijking en internationale controle op het nucleaire programma. Toch gaf de Amerikaanse president afgelopen weekend opdracht tot een grootschalige aanval op Iran. Als rechtvaardiging werd opnieuw gewezen op het Iraanse nucleaire programma. Dat argument wringt, omdat de VS acht maanden eerder al Iraanse nucleaire installaties hadden gebombardeerd en toen verklaarden dat het nucleaire programma van Iran was vernietigd.
Dubbele maatstaven
Het gebruik van geweld tussen staten is geregeld in het VN-Handvest. Artikel 2 lid 4 verbiedt het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat. Er zijn slechts twee uitzonderingen: een mandaat van de VN-Veiligheidsraad of zelfverdediging tegen een gewapende aanval, zoals vastgelegd in artikel 51. Zelfverdediging kan ook collectief zijn, bijvoorbeeld ter bescherming van een bondgenoot, mits sprake is van een gewapende aanval en de reactie noodzakelijk en proportioneel is.
Voor de aanval ontbrak een mandaat van de VN-Veiligheidsraad, evenals bewijs dat een Iraanse aanval op de VS of Israël op handen was. Daarmee valt de actie moeilijk te verenigen met het VN-Handvest, dat militair geweld tussen staten alleen toestaat bij zelfverdediging tegen een gewapende aanval of met toestemming van de Veiligheidsraad. In de VS wordt de aanval inmiddels verdedigd met de redenering dat Israël anders zelf zou hebben toegeslagen en dat Amerikaanse betrokkenheid nodig was om escalatie te beheersen. Juist die redenering roept kritiek op: verschillende Amerikaanse senatoren waarschuwen dat wanneer Israël feitelijk de militaire keuzes van Washington bepaalt, dat een gevaarlijk precedent schept.
Na de Iraanse tegenaanvallen richtten westerse leiders hun publieke veroordelingen vrijwel uitsluitend op de reactie van Iran. Over de rechtmatigheid van de Amerikaanse en Israëlische aanval die daaraan voorafging, bleef het opmerkelijk stil. President Emmanuel Macron, bondskanselier Friedrich Merz en premier Keir Starmer noemden de Iraanse aanvallen “onbesuisd” en “disproportioneel” en riepen op tot diplomatie, wat er in de praktijk op neerkomt dat Iran zijn acties moet staken en gehoor moet geven aan de Amerikaanse eisen.
Ook andere westerse regeringsleiders benadrukten de noodzaak van de-escalatie, maar dan uitsluitend vanuit de zijde van Iran. Dit zijn dezelfde leiders die zich doorgaans profileren als verdedigers van de rules-based order en van de soevereiniteit van staten. Wanneer dat beginsel door een bondgenoot wordt geschonden, blijkt de verontwaardiging echter opvallend selectief. Spanje sprak zich de afgelopen dagen als een van de weinigen wél uit tegen de aanvallen en kreeg daarop direct dreigementen van de Amerikaanse president, terwijl andere Europese regeringsleiders hun collega in Spanje publiekelijk nauwelijks steunden.
Afgelopen maandag publiceerden de VS samen met Koeweit, Saoedi-Arabië, Bahrein, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten een gezamenlijke verklaring waarin Iran als roekeloos werd bestempeld. Het gaat om landen die nauwe bondgenoten van de VS zijn en waar duizenden Amerikaanse militairen permanent zijn gestationeerd.
Geen van deze landen is een liberale democratie. Het zijn autocratische staten waarin politieke tegenstanders worden vastgezet en oppositie wordt onderdrukt. In vrijwel al deze landen worden de doodstraf en lijfstraffen toegepast, is homoseksualiteit strafbaar en hebben vrouwen een wettelijk ondergeschikte positie.
Dit zijn de landen die samen met de VS verklaren dat Iran roekeloos handelt in naam van vrede en veiligheid.
Selectieve verontwaardiging
In het publieke debat overheerst het mensenrechtenargument dat de aanval op Iran moet worden beschouwd als een stap richting bevrijding van de Iraanse bevolking uit het repressieve bewind van de ayatollahs. Vrouwen worden onderdrukt, minderheden vervolgd en politieke vrijheid ontbreekt. Dat klopt. Maar als mensenrechten werkelijk de doorslaggevende reden zijn voor militair ingrijpen, waarom wordt er dan niet ingegrepen in landen waar de situatie minstens zo ernstig is?
Neem Noord-Nigeria, waar in meerdere regio’s shariarechtbanken opereren en straffen als amputatie en steniging in de wet zijn verankerd. Of kijk naar Amerikaanse bondgenoten als Saoedi-Arabië, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten, waar shariawetgeving een belangrijke rol speelt in het straf- en familierecht en waar vrouwen juridisch niet gelijk zijn aan mannen.
Als onderdrukking en geweld tegen vrouwen werkelijk het criterium zijn voor militair ingrijpen, waarom grijpen wij dan niet in Congo in? In het oosten van het land gebruiken tientallen milities seksueel geweld al jaren systematisch als oorlogswapen. Vrouwen en meisjes worden op grote schaal verkracht, vaak gevolgd door brute verminking met messen of machetes. Artsen en hulporganisaties waarschuwen al jaren dat dit conflict een van de ernstigste schendingen van vrouwenrechten ter wereld vormt. Toch bestaat de internationale reactie daar uit een VN-stabilisatiemissie van ongeveer vijftienduizend militairen in een land dat groter is dan West-Europa. Het mandaat blijft beperkt tot bescherming van burgers en ondersteuning van het Congolese leger; van militair ingrijpen of regime change is geen sprake.
En als verminking van vrouwen het doorslaggevende criterium zou zijn, waarom staan landen zoals Somalië, Guinee, Mali, Egypte en Sudan niet voortdurend op de internationale agenda? In deze landen worden meisjes onder het mom van religieuze besnijdenis nog altijd op grote schaal ernstig verminkt; een praktijk die niet alleen blijvende lichamelijke schade veroorzaakt, maar ook jaren later nog levens kan kosten wanneer vrouwen door het littekenweefsel ernstige complicaties krijgen bij zwangerschap en bevalling.
De ongemakkelijke waarheid is dat westerse verontwaardiging opvallend selectief is. De ernst van mensenrechtenschendingen verklaart zelden waar militair wordt ingegrepen. In plaats daarvan volgt de kaart van interventies de lijnen van geopolitieke belangen zoals grondstoffen, strategische routes en bondgenootschappen, terwijl mensenrechten vaak dienen als de dunne morele schil waarmee het beleid wordt gerechtvaardigd.
Het trackrecord van regime change in het Midden-Oosten
De belofte dat militaire interventie vrijheid en stabiliteit brengt, klinkt inmiddels bekend. Maar waar heeft regime change in de afgelopen decennia in het Midden-Oosten daadwerkelijk geleid tot een democratische, veilige en stabiele samenleving?
Laten we beginnen met Afghanistan. Twintig jaar lang werd de bevolking een toekomst van democratie, rechtsstaat en vrouwenrechten voorgehouden. Westerse troepen bleven, verkiezingen werden georganiseerd en een nieuwe overheid opgebouwd. In 2020 sloten de VS het Doha-akkoord met de Taliban, waarin een volledige terugtrekking van Amerikaanse troepen werd afgesproken. Toen de terugtrekking in 2021 werd versneld, stortte het door het Westen opgebouwde staatsapparaat binnen enkele weken in. Het Afghaanse leger viel uiteen, Kabul viel op 15 augustus 2021 en de Taliban namen opnieuw de macht over, waarbij grote hoeveelheden militair materieel dat eerder aan het Afghaanse leger was geleverd in hun handen vielen. Kort daarna werden scholen voor meisjes gesloten en werden vrouwen opnieuw uit het openbare leven verdreven.
Een vergelijkbaar patroon is zichtbaar in Irak. De Amerikaanse invasie van 2003 werd gerechtvaardigd met de stelling dat Saddam Hoessein massavernietigingswapens bezat en dat de Iraakse bevolking moest worden bevrijd van een dictatoriaal regime. Die wapens werden nooit gevonden. Wat volgde was geen stabiele democratie maar jaren van burgeroorlog en sektarisch geweld. De Iraakse staat verzwakte, milities namen het geweld over en uit het machtsvacuüm ontstond uiteindelijk Islamitische Staat, die grote delen van Irak en Syrië onder zijn controle bracht.
Ook in Libië werd regime change gepresenteerd als een stap richting vrijheid. In 2011 greep een NAVO-coalitie militair in tijdens de Libische opstand tegen het regime van Muammar Khadaffi. De interventie werd gerechtvaardigd als een humanitaire operatie om burgers te beschermen. Na weken van luchtaanvallen stortte het regime in en werd Khadaffi gedood. Wat daarna volgde was geen stabiele overgang naar democratie, maar de desintegratie van de Libische staat. Het land viel uiteen in rivaliserende machtscentra en gewapende milities, terwijl verschillende regeringen elkaar sindsdien betwisten om de macht.
Syrie is het meest recente voorbeeld van hoe buitenlandse interventies en geopolitieke machtsstrijd een land kunnen ontwrichten. De burgeroorlog begon in 2011 en trok al snel regionale en internationale machten het conflict in. Vanaf 2014 voerden de VS en hun bondgenoten luchtaanvallen uit in Syrië, officieel gericht tegen Islamitische Staat, terwijl verschillende landen tegelijkertijd uiteenlopende gewapende oppositiegroepen steunden. Ondanks jaren van oorlog en bombardementen bleef het regime van Bashar al-Assad aanvankelijk overeind, mede dankzij militaire steun van Rusland en Iran. Pas toen Rusland zijn aandacht en middelen grotendeels moest verleggen naar de oorlog in Oekraïne, verzwakte die bescherming en werd Assad uiteindelijk verdreven. Stabiliteit bracht dat niet. Met westerse steun zijn gewapende islamitische groepen aan de macht gekomen, waarvan meerdere afkomstig zijn uit IS-netwerken. Sindsdien zijn religieuze minderheden zoals christenen en druzen doelwit van geweld.
In geen van deze gevallen bracht regime change de beloofde vrijheid en stabiliteit. Integendeel, de positie van vrouwen en minderheden verslechterde in vrijwel al deze landen. Waarom zou dat voor Iran nu anders zijn?
De geopolitieke realiteit
Iran is geen willekeurig doelwit. Het land ligt aan de Straat van Hormuz, de doorgang waar een groot deel van de wereldwijde oliehandel doorheen gaat. Tegelijk is Iran een van de weinige grote staten in de regio die geen Amerikaanse invloed toestaat. Rond Iran liggen juist landen die nauw met de VS samenwerken en waar Amerikaanse militaire bases zijn gevestigd, zoals Qatar, Bahrein, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten en Saudi-Arabië. Al sinds de jaren tachtig zijn de VS permanent gestationeerd in de Golfregio, met marineschepen, luchtbases en tienduizenden militairen. Vanuit dat perspectief is het Amerikaanse doel al jarenlang duidelijk: voorkomen dat Iran de dominante macht wordt in de Golf en daarmee invloed krijgt over de belangrijkste energie- en handelsroutes van de wereld.
Juist daarom kan de huidige Amerikaanse en Israëlische aanpak nooit opleveren wat wordt beweerd. Iran is een land van bijna negentig miljoen inwoners met een groot grondgebied, een sterk veiligheidsapparaat en een regime dat al bijna vijftig jaar aan de macht is. Werkelijke regime change zou alleen mogelijk zijn via een grootschalige militaire invasie met langdurige bezetting. Daarvoor zouden honderdduizenden troepen nodig zijn in een land dat groter is dan Irak en Afghanistan tezamen. De VS hebben daar noch het politieke draagvlak, noch de militaire capaciteit voor.
Wat dan overblijft zijn luchtaanvallen, raketten en pogingen om lokale milities het grondwerk te laten doen. Inmiddels verschijnen berichten dat de VS Koerdische milities langs de Iraans-Iraakse grens bewapenen om een militair offensief tegen Iran te openen. Dat past in een bekend patroon. In 2003 vochten Koerdische peshmerga in Noord-Irak samen met Amerikaanse special forces tegen het regime van Saddam Hoessein. Vanaf 2014 deden Koerdische milities in Syrië hetzelfde met Amerikaanse luchtsteun in de strijd tegen Islamitische Staat.
Het verschil met Iran is echter enorm. Daar gaat het niet om een verzwakt regime of een jihadistische militie, maar om een staat met een regulier leger van ongeveer een half miljoen militairen. Zelfs als enkele duizenden Koerdische strijders worden ingezet, verandert dat niets aan die militaire realiteit.
Daarmee kun je een land beschadigen, maar geen vrijheid afdwingen. Om het gebrek aan verdere interventie te maskeren roept de Amerikaanse president nu op dat de Iraanse bevolking zelf de vrijheid moet grijpen. Een oproep aan een bevolking die bijna vijftig jaar onder een sterk repressief bewind heeft geleefd, zonder sterke oppositie en zonder middelen om het regime omver te werpen. De meest waarschijnlijke uitkomst is daarom geen politieke verandering, maar verdere escalatie.
Niets wijst erop dat met de dood van ayatollah Khamenei een einde is gekomen aan het repressieve regime. Integendeel, zijn zoon Mojtaba wordt inmiddels naar voren geschoven als opvolger met sterke steun vanuit de Revolutionaire Garde. De wereld krijgt daarmee niet een verzwakt Iran, maar een nieuwe leider wiens vader zojuist door buitenlandse militaire actie is gedood. Dat is een recept voor verdere radicalisering.
Feit is dat Iran niet passief reageert maar terugslaat. Amerikaanse militaire bases in de regio liggen binnen bereik van Iraanse raketten en worden ook daadwerkelijk aangevallen. Tegelijk raakt Iran een van de kwetsbaarste punten van de wereldeconomie: de Straat van Hormuz. Door scheepvaart te bedreigen en de doorgang feitelijk te blokkeren raakt Iran direct de internationale energiemarkt. De gevolgen zijn onmiddellijk voelbaar: stijgende olie- en gasprijzen en ontregelde scheepvaart zullen vooral in West-Europa hoge druk leggen op economieën die al worstelen met hoge energieprijzen en internationale concurrentie.
Iran staat bovendien niet alleen. Het land is lid van BRICS, een economisch blok waarin onder meer China, Rusland, India en Brazilië samenwerken en dat inmiddels een groot deel van de wereldbevolking en een groeiend aandeel van de wereldeconomie vertegenwoordigt. Terwijl het Westen Iran jarenlang probeerde te isoleren met sancties en diplomatieke druk, heeft het land juist steeds nauwere economische en militaire banden opgebouwd met landen buiten de westerse invloedssfeer.
Vooral Rusland en China hebben er weinig belang bij dat Iran door Amerikaanse militaire druk wordt verzwakt. Rusland ziet Iran als strategische partner in het Midden-Oosten, terwijl China afhankelijk is van stabiele energie-importen uit de regio en tegelijkertijd zijn invloed in Eurazië uitbreidt. Wanneer een belangrijke handelspartner militair wordt bedreigd, zullen deze landen niet passief blijven toekijken.
Het meest waarschijnlijke gevolg is daarom dat verdere escalatie niet beperkt blijft tot de regio. De aanval op Iran raakt direct aan de verhoudingen tussen grote machtsblokken. Waar westerse regeringen de aanval presenteren als een kwestie van stabiliteit en veiligheid, zien veel landen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika het vooral als een nieuwe episode van machtspolitiek waarin het Westen de door henzelf opgestelde internationale regels opnieuw selectief toepast.
Zelfmoord van het internationaal recht
Na 1945 waren het de VS en Europa die het internationaal recht vormgaven. Het VN-Handvest moest een einde maken aan agressie-oorlogen en maakte conflicten tussen staten onderhevig aan regels, juist om ongebreideld machtsmisbruik tegen te gaan. Decennialang presenteerde het Westen zich als de bewaker van dat systeem en legde het die regels ook aan de rest van de wereld op.
Tegelijkertijd heeft het Westen het internationaal recht zelf het meest geschonden. Dat begon al in 1953 toen de VS een clandestiene CIA-operatie in Iran uitvoerden om de democratisch gekozen premier Mohammad Mossadegh af te zetten nadat hij de Iraanse olie-industrie had genationaliseerd. Met propaganda, omgekochte politici en georganiseerde straatprotesten werd zijn regering ten val gebracht en werd de gehate shah opnieuw aan de macht geholpen. Deze shah regeerde met westerse steun zesentwintig jaar lang met harde hand, tot hij in 1979 door de Iraanse revolutie werd weggevaagd.
Nu, bijna vijftig jaar later, ziet Iran zich opnieuw geconfronteerd met buitenlandse inmenging. Niet langer via een geheime operatie, maar met openlijke militaire druk.
Voor een groot deel van de wereld bevestigt dat een patroon dat al langer zichtbaar is: internationale regels worden met grote overtuiging verdedigd zolang zij anderen beperken, maar blijken opmerkelijk rekbaar zodra ze de belangen van hun eigen hoeders in de weg staan. Daarmee ondermijnt het Westen precies het systeem waarop het zich zo graag beroept wanneer het om andere landen gaat.
Dat is geen dood van het internationaal recht, maar zelfmoord. Zodra regels selectief worden toegepast verliezen zij hun kracht. Wat overblijft is een wereld waarin macht opnieuw zwaarder weegt dan recht. Alleen is de machtsbalans inmiddels allang verschoven, ook al lijkt het Westen dat nog niet te willen erkennen. Nieuwe economische en politieke blokken winnen aan invloed en voelen zich steeds minder gebonden aan een Westerse orde waarvan de legitimiteit zichtbaar afbrokkelt.
Maar in plaats van een weg te zoeken in deze nieuwe realiteit, isoleren wij ons steeds verder van landen door ze te sanctioneren, te negeren en openlijk te schofferen. Het gevolg is dat onze eigen schendingen zich uiteindelijk als een boemerang tegen ons zullen keren.
In een wereld waarin je zelf niet meer geloofwaardig bent, is selectieve morele superioriteit weinig waard. Een brood kun je er straks niet mee kopen.
Mijn substack is gratis en dat blijft zo. Maar feiten boven tafel krijgen kost tijd. Vindt u dit werk waardevol, overweeg dan een vrijwillige bijdrage. Dat kan ook via Ideal.




Dankjewel! Helder zo.
Hier de aanhef van een artikel over hetzelfde onderwerp:
Internationaal recht: vals alibi voor lafheid en wegkijken
4 maart 2026 - René Dercksen
"De aanval op Iran door de VS en Israël zou in strijd zijn met het internationaal recht, zo klinkt het dezer dagen. Maar wat betekent 'internationaal recht' als niemand dat handhaaft en dit argument alleen maar wordt ingebracht als dat zo uitkomt? De VN is inmiddels verworden tot een schertsvertoning, gedomineerd door dictators die uitsluitend hun eigen belangen dienen. Toch wemelt het nog van de onnozelen die denken dat je met godsdienstwaanzinnigen kunt onderhandelen. En die vrede en veiligheid in strijd vinden met het 'internationaal recht'."
Dit lijkt me realistischer. Wat is dat eigenlijk "internationaal recht"? Hebben b.v. vrouwen en homo's in Iran geen recht? Wie handhaaft dan het internationaal recht. Waar is internationale regering en de "internationale politie" die moet handhaven? De VN is natuurlijk geen internationale regering. Kijk even wie daarin de boventoon voeren. Zo is Iran lid van de Mensenrechtenraad. Tja.
In het hele artikel komt de bevolking van Iran, die zo te lijden heeft onder de terreur van de geestelijke gestoorden, niet aan bod. En ja, het verbaast mij ook dat er in zovele andere landen en streken van deze wereld het een puinhoop is wat (internationaal) mensenrechten betreft. Dus inderdaad totale willekeur. Zie ook de oorlog tussen Israel en de Arabieren in Gaza. Ook daar werd met twee maten gemeten. Een goedkeuring van de VN-raad voor de acties van de VS en Israel, is natuurlijk flauwekul. Want een dergelijke "goedkeuring" komt er natuurlijk nooit, gezien de macht van grote islamitische landen c.s.