Degenen die mij al een tijdje volgen zal het zijn opgevallen dat ik de afgelopen periode weinig van mij heb laten horen. Dat is niet vrijwillig, maar een gevolg van het feit dat momenteel vrijwel al mijn tijd opgaat aan procedures met artsen, verzekeraars en overheidsinstanties. Wie vandaag de dag de pech heeft een beroep te moeten doen op onze verzorgingsstaat, leert al snel de bittere les dat het systeem dat bescherming belooft vooral bezig is zichzelf in stand te houden, met alle gevolgen van dien. Daarom in dit artikel nog geen vervolg op de Domme Hoogopgeleiden-serie, maar een inkijkje in de keuken van de participatiemaatschappij anno 2026, met wat persoonlijke ervaringen.
Honoré Daumier, The Legislative Belly, 1834. Lithograph. The Metropolitan Museum of Art, New York.
De valse belofte
Sinds de millenniumwisseling betalen we per hoofd van de bevolking ruim 2,5 keer zoveel belasting, de kosten voor levensonderhoud zijn met zeker 70% gestegen en de zorgpremie is bijna verdubbeld. Daar staat geen evenredige toename van zorg en zekerheid tegenover. Integendeel. We moeten steeds langer doorwerken, voorzieningen worden steeds verder versoberd en de toegang tot sociale zekerheid wordt aan steeds zwaardere voorwaarden verbonden. Wie de pech heeft om ziek te worden of zijn baan kwijt te raken, treft geen vangnet meer maar een bureaucratische keten van procedures. In dat systeem staat de hulpvraag niet centraal, maar telt alleen de vraag of aan vooraf vastgelegde criteria wordt voldaan. Eerst moet worden bewezen dat men recht heeft, daarna dat andere opties zijn uitgeput. Wie zich in een overgang bevindt, bijvoorbeeld te ziek om te werken maar nog te functionerend om ziek te zijn, of te arm voor eigen oplossingen maar te ‘rijk’ voor ondersteuning, haalt het vaak niet eens tot een inhoudelijke beoordeling, maar wordt al afgewezen zonder ooit iemand gesproken te hebben.
Vergrijzing wordt steevast opgevoerd als verklaring voor deze ontwikkelingen, maar die verklaring schiet tekort. De collectieve inkomsten zijn immers niet gedaald, maar sterk gestegen. Wat is veranderd is de bestemming ervan. Een groeiend deel van het overheidsbudget gaat niet langer naar directe ondersteuning van burgers, maar naar het in stand houden van een steeds omvangrijker overheidssysteem. Procedures, controle, toezicht en compliance groeien sneller dan de hulp die zij zouden moeten faciliteren. Het geld verdwijnt niet. Het verschuift. Weg van mensen. Naar systemen.
In dit artikel leg ik uit waarom wij in Nederland steeds meer premies en belastingen moeten betalen en daar steeds minder bescherming voor terugkrijgen. Dat komt niet alleen door toenemende bureaucratie, maar ook doordat de besparingen die op burgers worden afgewenteld elders worden ingezet. De pensioenleeftijd gaat omhoog, de WW wordt ingekort en het eigen risico in de zorg stijgt, maar de vrijgemaakte middelen worden vervolgens aangewend voor zaken als defensie-uitgaven, migratie, klimaatbeleid en stikstofmaatregelen. De verzorgingsstaat functioneert daarmee alleen nog probleemloos voor wie er geen beroep op hoeft te doen. Voor iedereen die afhankelijk wordt van zorg of sociale zekerheid, blijkt hoe dun het vangnet is geworden en hoe snel iemand kan wegzakken in een systeem dat op papier correct werkt, maar in de praktijk nauwelijks nog bescherming biedt.
Van verzorgingsstaat naar corporate socialisme
Nederland kent nog geen honderd jaar een verzorgingsstaat. Voor de Tweede Wereldoorlog was ondersteuning bij armoede, ziekte en ouderdom grotendeels particulier geregeld. Armenzorg kwam van de kerk en de rest werd opgevangen binnen families. De economische crisis van de jaren dertig en de oorlog maakten duidelijk dat deze risico’s niet individueel te dragen waren zonder massale armoede en instabiliteit. Daarom bouwden opeenvolgende kabinetten na de oorlog een collectief stelsel op waarin werkenden via belastingen en premies gezamenlijk betaalden voor zorg en sociale zekerheid. De staat inde de middelen, organiseerde de uitvoering en stond politiek garant voor de uitkomst. Wie het zelfstandig niet redde, had recht op hulp.
Vanaf de jaren zeventig kwam dit stelsel onder druk te staan door stagnerende groei en oplopende uitgaven. De politieke reactie daarop was neoliberalisme. Het idee ontstond dat marktmechanismen publieke taken efficiënter konden uitvoeren dan een centraal aangestuurde overheid. Collectieve voorzieningen werden opgesplitst en ondergebracht bij private en semipublieke uitvoerders. Concurrentie moest leiden tot lagere kosten en betere dienstverlening, terwijl de collectieve financiering in stand bleef.
Die marktwerking werd echter ingevoerd in sectoren waar geen echte markt kan bestaan. Burgers kunnen zich niet onttrekken aan verplichte verzekeringen en hebben geen keuze wanneer zij ziek worden of hun baan verliezen. Zorgverzekeraars, uitvoeringsinstanties en gemeenten concurreren niet met eigen kapitaal en op eigen risico, maar opereren binnen door de overheid vastgestelde budgetten en wettelijke kaders. Hun opdracht is niet om risico’s over te nemen, maar om ze te beheersen en te beperken. Wat ontstond was geen markt, maar een technocratisch stelsel van contracten, budgetplafonds en acceptatiecriteria waarin uitvoering op afstand werd gezet en bescherming ondergeschikt raakte aan beheersbaarheid.
Daarmee is de verzorgingsstaat feitelijk omgekeerd. Burgers blijven verplicht premies en belastingen betalen voor zorg en sociale zekerheid, maar dragen steeds vaker zelf het risico wanneer het misgaat. Wie buiten de steeds striktere criteria valt, verliest toegang tot ondersteuning en moet de gevolgen zelf opvangen. Publiek geld blijft de basis van het stelsel, maar de besparingen vloeien weg naar private partijen en andere beleidsdoelen. Dat is geen klassieke verzorgingsstaat en ook geen vrije markt, maar een vorm van corporate socialisme.
De coup
Met de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 veranderde het Nederlandse zorgstelsel fundamenteel van karakter. De overheid trok zich terug uit de directe aansturing van zorginhoud en legde de verantwoordelijkheid voor organisatie, inkoop en controle neer bij zorgverzekeraars. Daarmee verschoof de formele regie over het zorgproces van publieke en professionele domeinen naar private uitvoerders. Artsen verloren hun centrale positie in de besluitvorming en kregen een uitvoerende rol binnen een systeem dat wordt aangestuurd via contracten en budgetafspraken.
Het nieuwe zorgstelsel werd gepresenteerd als marktwerking: concurrentie tussen verzekeraars en zorgaanbieders zou leiden tot betere zorg tegen lagere prijzen. Maar de zorg is geen markt. Burgers zijn verplicht verzekerd, hebben geen invloed op wat wordt vergoed en kunnen zich niet aan het systeem onttrekken. Zorgaanbieders concurreren niet om patiënten, maar om toegang tot contracten bij verzekeraars, die bepalen welke zorg wordt ingekocht en onder welke voorwaarden. Verzekeraars dragen bovendien slechts beperkt financieel risico, omdat tekorten worden opgevangen via hogere premies en collectieve herverdeling. Waar prijzen vaststaan en keuzevrijheid ontbreekt, kan geen concurrerende markt ontstaan. In plaats daarvan werd een contractueel stelsel ingericht, waarin de inhoud van de zorg wordt gestuurd via inkoopcriteria, volumeafspraken en budgetplafonds.
De wettelijke opdracht van een zorgverzekeraar is niet het leveren van de beste zorg, maar het beheersen van risico’s en uitgaven. Zodra zij bepalen welke zorg wordt geleverd, verschuift de inrichting van het zorgproces van genezing naar controle en verantwoording. Zorg moet te plannen zijn in volume, te voorspellen in kosten en achteraf te controleren op uitvoering. Alleen zorg die administratief eenduidig is, komt nog in aanmerking voor financiering. Standaardisatie is daarmee geen hulpmiddel om zorg te organiseren, maar een voorwaarde om die vergoed te krijgen. Een diagnose wordt een declaratiecode, een behandeling een protocol en klinisch redeneren het proces van het koppelen van klachten aan een DBC. Alles wat daarvan afwijkt, valt buiten het contract en wordt in de praktijk niet vergoed.
Geneeskunde verschuift daarmee van het opsporen en behandelen van oorzaken naar het beheersbaar houden van klachten en de rol van de arts verandert mee. De moderne arts gaat niet langer primair op zoek naar wat een patiënt mankeert, maar brengt klachten onder in een traject dat recht geeft op vergoeding. Hij doorloopt de standaard richtlijnen, stelt een standaarddiagnose en start een standaard behandeltraject. Wanneer klachten niet binnen een herkenbare diagnose passen, volgt vaak geen vervolgonderzoek. De oorzaak wordt dan gezocht in stress of psychische factoren en het dossier kan worden afgesloten.
Deze tendens wordt versterkt door de manier waarop de zorg is georganiseerd. Specialismen zijn strikt gescheiden, elk met hun eigen domein, budget en werkwijze. Patiënten met een complex of atypisch klachtenbeeld worden per discipline beoordeeld, maar nergens als geheel. Wat niet binnen één traject past, blijft liggen. Zo ontstaan gemiste verbanden, foutieve aannames en diagnoses die te laat of helemaal niet worden gesteld.
Wat niet wordt herkend, wordt ook niet behandeld. In een systeem dat is ingericht op standaardtrajecten en kostenbeheersing blijven onderliggende oorzaken buiten beeld. Besparingen op diagnostiek en passende zorg aan de voorkant leiden later tot ernstige ziekte, arbeidsongeschiktheid en langdurige afhankelijkheid. Die vaak hogere kosten verdwijnen uit het zorgbudget, maar keren terug als maatschappelijke uitgaven in andere domeinen zoals Wmo-voorzieningen en langdurige zorg, waar vervolgens opnieuw op wordt bezuinigd. De rekening verschuift daarmee niet alleen binnen het stelsel, maar uiteindelijk ook naar de burger zelf.
Ik was 38, gezond, sportief en stond midden in mijn carrière toen ik plotseling uitviel met klachten waarvoor geen directe verklaring werd gevonden. De eerste conclusie was overspannenheid. Toen daarna nieuwe symptomen ontstonden, werden die telkens afzonderlijk beoordeeld binnen het specialisme waar ik terechtkwam. Neurologische uitval werd geduid als rugklachten, blaasproblemen als bekkenbodemproblematiek, uitputting als stress. Elk specialisme keek binnen het eigen domein en sloot af met een psychosomatische verklaring zodra geen voor de hand liggende oorzaak werd gevonden. Zo ontstond een dossier waarin de klachten wel werden geregistreerd, maar niet in samenhang werden onderzocht. Uiteindelijk duurde het bijna drie jaar en zag ik meer dan veertig artsen voordat de juiste diagnose werd gesteld: ik had een agressieve vorm van multiple sclerose (MS).
Na die diagnose werd ik volgens het standaardprotocol behandeld met zware medicatie. Die werkte bij mij niet, maar werd ook niet aangepast. Mijn ernstige achteruitgang ondanks behandeling werd geduid als ‘normaal ziekteverloop’. Verzoeken om aanvullend onderzoek en alternatieve behandelopties bleven onbeantwoord. Zolang het protocol werd gevolgd, bestond er volgens de artsen geen aanleiding om in te grijpen, ook niet wanneer een patiënt zichtbaar achteruitgaat.
Een behandeling die bij agressieve MS effectief kan zijn wanneer medicatie faalt is stamceltherapie. In Nederland wordt deze behandeling slechts voor een zeer beperkte groep vergoed en viel ik buiten de criteria die daarvoor waren opgesteld. Dat was voor de behandelend artsen voldoende om geen andere behandeling te overwegen en door te gaan met medicatie waarvan overduidelijk was dat die niet werkte.
Uiteindelijk ben ik op eigen gelegenheid naar het buitenland gereisd om op eigen kosten stamceltherapie te ondergaan. Sindsdien is de ziekteprogressie gestopt en zijn veel klachten verdwenen of sterk verminderd. Maar de schade is blijvend. De zenuwen in mijn benen zijn onherstelbaar beschadigd, met als gevolg dat ik rolstoelafhankelijk ben geworden en de rest van mijn leven aangewezen ben op voorzieningen die steeds verder worden versoberd.
De maffiapraktijken van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar
Tot in de jaren ’90 werd arbeidsongeschiktheid grotendeels collectief opgevangen door de overheid. Maar het verzuim was hoog. Op het hoogtepunt van de WAO lag het ziekteverzuim rond 9% en ontvingen bijna 900.000 mensen een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De politieke reactie was neoliberaal: als werkgevers zelf financieel verantwoordelijk worden voor de gevolgen van ziekteverzuim, zullen zij zich harder inspannen om dat verzuim terug te dringen. Met de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte werden werkgevers vanaf 2004 verplicht het loon van zieke werknemers twee jaar door te betalen en zich actief in te spannen voor re-integratie. Arbeidsongeschiktheid was daarmee geen collectief gedragen risico meer, maar een individueel probleem.
Bedrijven die dit risico niet kunnen dragen, kunnen zich daarvoor verzekeren, zo was de redenering. Maar die vlieger gaat maar deels op. De taak van een verzekeraar is niet het overnemen van risico, maar het beheersen ervan. Zodra verzekeraars bepalen of en onder welke voorwaarden wordt uitgekeerd, wordt dekking selectief en voorwaardelijk. Premies worden breed geïnd, maar uitkeringen zijn afhankelijk van strikte criteria en verplichtingen. Een substantieel deel van het financiële risico blijft daardoor bij werkgevers en werknemers liggen, ook wanneer er formeel een verzekering is afgesloten.
Die selectiviteit is het verdienmodel. Verzekeraars dekken vooral risico’s die zeldzaam en voorspelbaar zijn, terwijl juist de vormen van uitval die het meest voorkomen en de hoogste kosten veroorzaken contractueel worden begrensd of uitgesloten. Werkgevers betalen hoge premies maar blijven verantwoordelijk voor loondoorbetaling, re-integratie en vervanging. Bedrijven die die lasten niet kunnen dragen verdwijnen en werknemers die na twee jaar ziekte niet tot de WIA worden toegelaten belanden regelmatig in de bijstand. Risico’s die uit het collectieve stelsel zijn gehaald keren zo via andere kanalen terug in de publieke sfeer.
Voor zelfstandigen is dit mechanisme nog duidelijker. Tot 2004 bestond er een verplichte publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering, maar met de afschaffing daarvan werd inkomensbescherming bij ziekte een individuele verantwoordelijkheid. Zelfstandigen zijn sindsdien aangewezen op commerciële verzekeringen met hoge premies, waarbij de grootste risico’s op uitval op voorhand worden uitgesloten of slechts tegen hoge kosten te verzekeren zijn. Veel zelfstandigen verzekeren zich daarom niet en zijn bij langdurige ziekte aangewezen op spaargeld, partnerinkomen en uiteindelijk de bijstand. Wie zich wel verzekert, kan bij ziekte alsnog buiten de voorwaarden vallen en uiteindelijk hetzelfde lot treffen.
Arbeidsongeschiktheids- en verzuimverzekeringen behoren tot de meest winstgevende producten van de verzekeringssector. Premies die niet worden uitgekeerd verdwijnen niet, maar worden toegevoegd aan het vermogen van de verzekeraar en belegd op de kapitaalmarkt. Zo bouwen verzekeraars met premiegeld omvangrijke beleggingsportefeuilles op die jaarlijks miljoenen aan rendement opleveren. Dat vermogen vloeit niet terug naar de verzekerden, maar wordt geïnvesteerd in vastgoed, infrastructuur, klimaat- energietransitie en sinds kort ook in de defensie-industrie. Terwijl werkgevers en zelfstandigen hoge premies betalen voor beperkte dekking en de zwaarste risico’s uiteindelijk bij burgers en publieke regelingen belanden, groeit aan de andere kant het private vermogen dat met diezelfde premies is opgebouwd.
U betaalt de premie, de verzekeraar belegt uw geld in windmolenparken en de oorlogsindustrie.
Mijn man en ik zijn allebei zelfstandig. Toen ik mij als zelfstandige probeerde te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, werden rugklachten en psychische klachten zoals burnout als grootste risico’s gezien en standaard uitgesloten. Zoals eerder uitgelegd, beschouwt de moderne geneeskunde tegenwoordig alles wat zij niet direct kan verklaren als een psychische klacht. Voor mij had dat tot gevolg dat ik bijna drie jaar ben weggestuurd met een psychosomatische verklaring voordat de juiste diagnose werd gesteld. Door alle uitsluitingen heb ik nooit een arbeidsongeschiktheidsverzekering gesloten. Daar heb ik ook niets aan gemist. Een verzekeraar kent doorgaans een beperkte uitloop en ik was al eerder gedwongen te stoppen met werken. In mijn geval zou een verzekeraar nooit hebben uitgekeerd.
Mijn man kreeg wel een arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder uitsluitingen en betaalde jarenlang premie. Toen hij uitviel, werd de uitkering eerst toegekend. Vervolgens werd zijn medische voorgeschiedenis opnieuw beoordeeld en werd de dekking alsnog ingetrokken. De uitkering stopte, reeds uitgekeerde bedragen werden teruggevorderd en de polis werd aangepast. De ziekte zelf stond niet ter discussie, maar de dekking verdween zodra er daadwerkelijk een beroep op werd gedaan.
In beide gevallen is sprake van aantoonbare ziekte, maar ontbreekt iedere inkomensbescherming. Ook werknemers zijn daarin niet wezenlijk anders beschermd: hun werkgever moet het loon tijdelijk doorbetalen, maar bij langdurige uitval volgt vaak alsnog een forse inkomensval. Wie niet in armoede wil wegzakken, zal moeten blijven werken, ook wanneer dat medisch niet mogelijk is. Ziekte is daarmee geen verzekerd risico meer, maar een financieel risico dat uiteindelijk bij de zieke zelf terechtkomt.
De gemeente als afwijzingsmachine
Met de invoering van de Participatiewet en de Wmo heeft de overheid in 2015 de belangrijkste risico’s van zorg en bestaanszekerheid gedecentraliseerd naar gemeenten, die vanaf dat moment verantwoordelijk werden voor de toekenning, uitvoering en financiering van ondersteuning. Daarmee verschoof niet alleen de uitvoering, maar ook het financiële risico. Gemeenten werken met vaste budgetten en dragen zelf de gevolgen van overschrijdingen, met als gevolg dat sociale zekerheid is veranderd van een recht naar een lokale kostenpost die beheerst moet worden.
Als antwoord hierop hebben gemeenten de toegang tot ondersteuning sterk geformaliseerd. Niet langer staat de hulpvraag centraal, maar uitsluitend de vraag of aan alle criteria is voldaan. Elke aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van uitgebreide voorwaarden en vooraf vastgestelde categorieën, waarbij hulp pas volgt als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. Wie buiten die categorieën valt of zich in een overgangssituatie bevindt, krijgt geen inhoudelijke beoordeling maar het verzoek de aanvraag in te trekken.
Om deze besluiten te kunnen verantwoorden, is een omvangrijk systeem van registratie, controle en procesbewaking ontstaan. Besluiten worden genomen op basis van dossiers, bewijsstukken en digitale systemen waarin elke stap moet worden vastgelegd. Ambtenaren handelen binnen strikte kaders en hebben nauwelijks ruimte om daarvan af te wijken. Hun verantwoordelijkheid ligt bij het volgen van de procedure, niet bij de uitkomst. Zolang de regels correct zijn toegepast, geldt een besluit als juist. Ook wanneer dat betekent dat de aanvrager volledig vastloopt.
Vanwege mijn MS en snelle achteruitgang moest ik op een gegeven moment over naar een volledig aangepaste woning. De gemeente gaf daarvoor keurig een beschikking af, maar voor het verkrijgen van een woning voldeed ik niet aan de regels. De meeste aangepaste woningen bevinden zich in de sociale sector, waarvoor het inkomen van mijn man te hoog was. Particuliere aangepaste woningen bestaan ook, maar dat zijn vrijwel altijd seniorenwoningen waarvoor ik gezien mijn leeftijd niet in aanmerking kwam. Zo leefde ik ruim een jaar in de situatie dat ik op papier recht had op een aangepaste woning, maar er in de praktijk geen kon krijgen.
Toen de arbeidsongeschiktheidsuitkering van mijn man met terugwerkende kracht werd stopgezet, hadden wij plots geen inkomen meer en wendden wij ons tot de gemeente voor tijdelijke ondersteuning. Die werd geweigerd omdat in de onderneming een belastingreserve stond voor nog te betalen inkomstenbelasting. Volgens de gemeente moesten wij eerst die reserve aanwenden en daarmee feitelijk een schuld bij de Belastingdienst laten ontstaan voordat wij in aanmerking konden komen voor een uitkering op bijstandsniveau. Pas wanneer die schuld er lag, zouden wij eventueel recht hebben op ondersteuning.
Cumulatieve systeemschade
Wie gezond is, merkt doorgaans weinig van de belabberde staat van de verzorgingsstaat. Wie uitvalt, krijgt de optelsom. In de zorg wordt alleen behandeld wat binnen een protocol past. In de verzekering wordt alleen gedekt wat binnen de polis past. En de gemeente helpt pas wanneer alle andere opties zijn uitgeput.
Elk loket handelt formeel correct, elke medewerker is vriendelijk. Toch produceren ze uitkomsten die levens kunnen ontwrichten zonder dat iemand zich verantwoordelijk voelt voor de gevolgen. Terwijl belastingen, premies en eigen bijdragen blijven stijgen, vloeien middelen weg naar de private sector en naar beleidsdoelen buiten de sociale zekerheid, zoals klimaat, migratie en de oorlogsindustrie. Ondertussen stapelt de schade zich op en vallen steeds meer mensen tussen wal en schip. De verzorgingsstaat functioneert daarmee vooral nog voor wie er geen beroep op hoeft te doen.
De meeste functionarissen die ik de afgelopen jaren ben tegengekomen zijn hoogopgeleid. Maar zelfstandig nadenken of verder kijken dan hun protocol konden ze vrijwel niet. Daarom de volgende keer in deel drie van de Domme Hoogopgeleiden-serie: waar komen moderne hoogopgeleiden terecht als ze de arbeidsmarkt betreden en wat gebeurt er dan?
Wie met regels leidt, heeft weinig oog voor medemenselijkheid. Hoe dat eruit ziet, leest u hier:






Goed overzicht van de zorgmarkt en het verschil tussen werknemer en zelfstandige. De laatste is altijd de klos bij een zorgvraag.
Gaaf land, beste mensen, dit is een gaaf land. Alleen heb ik daar geen actieve herinnering meer aan....